Barbara moeder intrek in kliniek depressie
Beeld: Shutterstock

Ze had al eerder depressies doorstaan, maar toen Barbara moeder werd van een te vroeg geboren tweeling ging het blijvend bergafwaarts. Een opname voor intensieve therapie bleek de enige optie.

Barbara (38): “Tien jaar hebben mijn man en ik erover gedaan om onze kinderwens in vervulling te laten gaan. In Nederland waren we na zeven keer ivf uitbehandeld, maar we konden ons daar niet bij neerleggen. Via via kwamen we bij een Nederlandse gynaecoloog in Duitsland terecht. Het ongelofelijke gebeurde: al bij de eerste ivf-poging daar bleek ik zwanger. Mijn geluk kon niet op: het was ook nog eens een tweeling.
 

Overlevingsstand

Al snel doofde die blijdschap uit, want ik had bloeding na bloeding. Elke week dat ze in mijn buik bleven, was een zegen voor mij. Ik moest volledige bedrust houden en maakte me grote zorgen. Bij 32 weken zijn Sam en Julia spontaan geboren. Julia liep drie weken achter in groei; ze woog maar 1300 gram. Sam bleek een ernstige darminfectie te hebben en moest per ambulance naar een gespecialiseerd kinderziekenhuis. Acht weken pendelden mijn man en ik op en neer naar onze kwetsbare, vechtende kleintjes in het ziekenhuis. Ik voelde niets: ik stond in de overlevingsstand en was alleen maar bezig met er zijn voor de baby’s.

Als ik terugkijk heb ik dat de twee jaar die volgden ook gedaan. Ik bleef op de automatische piloot functioneren, deed alles voor de tweeling. Geen seconde nam ik tijd voor mezelf; alleen al even douchen voelde voor mij alsof ik de baby’s te lang uit het oog verloor. Ik moest van mezelf zo dankbaar zijn dat ik ze had gekregen en dat ze hun moeilijke start hadden overleefd, dat ik non-stop van ze móest genieten. Werken deed ik niet meer, want no way dat ik ze naar de opvang zou brengen. Ik cijferde mezelf compleet weg.

Article continues after the ad

Langzaam voelde ik dat een depressie me weer in zijn greep begon te nemen. Sinds mijn puberteit heb ik daar vaker last van gehad; dat begint bij mij altijd met niet meer kunnen slapen. Ik stapte naar de huisarts, kreeg slaapmedicatie en had elke week een gesprek met een psycholoog. Ondertussen voelde ik me steeds verder wegzakken, de dagen gingen van grijs naar zwart.
 

Uitweg

Als moeder werd ik er niet gezelliger op. Ik kon me steeds minder goed beheersen tegen de kinderen, ontplofte om de kleinste dingen. Ik dacht: ik kán dit niet, zorgen voor twee kleine kinderen. Liefst wilde ik vluchten. Zodra de dag begon, startte voor mij het aftellen tot het moment dat ik weer naar bed kon. Slapen was mijn uitweg, dan voelde ik niks – helemaal niet als ik slaappillen had genomen.

Mijn man en schoonmoeder moesten overdag steeds vaker de zorg voor de kinderen overnemen omdat ik het niet meer kon opbrengen. En dat leverde natuurlijk weer een schuldgevoel op. Het duurde elke dag uren voordat ik mezelf zover kreeg om me aan te kleden of te douchen. De gordijnen bleven dicht, ik zat letterlijk in het donker. Ik kwam op het punt dat ik dacht: ik wil niet meer. En die gedachte kon ik niet verteren. Wat voor moeder ben je als je er niet meer wilt zijn?

Voor mij was dat het moment dat de knop om moest. Zo doorgaan zou rampzalig zijn voor mijn gezin; zo’n jeugd wilde ik mijn kinderen niet geven. Ik besloot akkoord te gaan met een opname van twee maanden in een ggz-kliniek in Limburg. Daar zou ik intensieve behandeling krijgen. Maanden heb ik getwijfeld, want hoe moest dit praktisch? En zou ik mijn kinderen niet beschadigen door ze zo lang in de steek te laten? Kon ik ze zelf wel missen?
 

Lees ook
Esther werd na haar bevalling opgenomen op een psychiatrische afdeling >

 

Een paar dagen weg

De dagen voor die opnamedag in september waren gevuld met voorbereidingen. Perfectionistisch als ik was, stopte ik de vriezer vol maaltijden, vulde de voorraadkast en maakte voor elke dag in die zeven weken afwezigheid een schema. Mijn schoonouders, man en het kinderdagverblijf zouden de zorg voor de kinderen op zich nemen. Heus, het was allemaal prima geregeld, maar ik durfde de controle niet los te laten. Gevoelsmatig stond ik voor een onmogelijke keuze: mijn gezin achterlaten om te vechten voor mezelf.

De dinsdag van de opname nam ik thuis afscheid van de tweeling. Het was hartverscheurend, maar dat liet ik niet zien. Ik vertelde ze dat ik een paar dagen weg zou gaan om uit te rusten. Elk weekend zouden zij namelijk met mijn man in een hotel in de buurt doorbrengen, dus het leek ons goed die zeven weken in kleine hapjes te verdelen.

Mijn man bracht me weg. Ik was verdoofd van angst. Nog zie ik in detail voor me hoe mijn kamer eruitzag die ze ons bij binnenkomst lieten zien. Een soort hotelkamer, veel knusser dan ik me had voorgesteld. Zonder tranen nam ik vervolgens afscheid van mijn man, mijn anker. Het uur daarna zat ik op mijn kamer voor me uit te staren. Het voelde alsof ik verloren had. Hier zat ik dan, hét bewijs dat ik faalde als moeder.
 

Een kiertje licht

Door mijn depressies ben ik in de loop der jaren veel vriendinnen kwijtgeraakt, maar die dag voelde ik me pas echt eenzaam. Nog nooit was ik zo op mezelf teruggeworpen geweest. Zat ik daar in een vreemde omgeving, wetende dat ik een beerput open moest gaan trekken. Ik moest ook per direct mijn slaapmedicatie afbouwen; daar ging mijn veilige manier van omgaan met mijn depressie. Niet bepaald fijne vooruitzichten dus.

Na een paar dagen maakten die angsten echter al plaats voor een ander gevoel: er kwam een heel klein kiertje licht door de deur. Op dag vier durfde ik zelfs te voelen dat ik in een warm bad terecht was gekomen. Groepsgenoten die mijn gevoel herkenden, heel lieve therapeuten. Ik durfde me steeds meer over te geven aan het proces. Iedere avond facetimede ik met het thuisfront. In het weekend deden we samen leuke dingen met de kinderen. Ergens was het heel fijn dat ik daarna weer de zorg voor hen kon overdragen aan anderen; ik moest echt alle focus op mijn herstel leggen. Ik ga het flikken, dacht ik op die momenten.
 

Een andere vrouw

De opname is nu een jaar geleden en er staat hier een heel andere vrouw. Ik heb tijdens de opname geleerd hoe het komt dat ik steeds terugval in depressies: ik kon niet tevreden zijn met mezelf, ik deed dingen nooit goed genoeg. Ook als moeder. Ik ging daardoor de hele dag over mijn eigen grenzen heen, cijferde mezelf meer dan weg. Ik heb geleerd dat ik juist een goede moeder ben als ik ook aan mezelf denk.

De stap naar betaald werk is nog te groot, maar ik doe nu vrijwilligerswerk in een bibliotheek en heb creatieve hobby’s opgepakt. Ook mijn sociale leven loopt weer prettig. Het blijft hard werken om me goed te voelen, maar dat werpt dus wel zijn vruchten af. Ik denk nu meerdere keren per dag: oké, ik voel me ergens niet fijn om, wat is er aan de hand? Wat heb ik nu nodig? Ik voel me niet meer schuldig als iets anders loopt dan gepland, kan dingen veel beter loslaten.

De opname is een groot cadeau gebleken, de beste investering ooit. In plaats van als bewijs van mislukking zie ik de tijd in de kliniek nu als een kans die ik kreeg. Een kans op een toekomst voor mij en mijn kinderen. Ik ben trots: en óf ik het ’m geflikt heb!”
 

Dit artikel staat in Kek Mama 14-2020.

 

 

Meer persoonlijke verhalen lezen? Volg ons op Facebook en Instagram.