Yvonnes man sloeg hun dochter (3): ‘Ik hoor de klets in haar gezicht nog steeds’

06.02.2022 05:42
Yvonne uit gewelddadige relatie gestapt de laatste klap Beeld: Getty Images

Nog één mep en ik vertrek, dacht Yvonne (39) steeds. Toen vier jaar later – vele klappen en vernederingen verder – haar man Ivar ook een tik gaf aan dochter Milou (nu 5), had ze eindelijk de moed hem te verlaten.

“‘Eén ding moet duidelijk zijn,’ brieste Ivar toen we nog geen jaar getrouwd waren: ‘nooit, maar dan ook nóóit meer sla je zo’n toon tegen me aan.’ Zijn arm hield hij opgeheven, zijn hand gespreid. Sla maar, dacht ik. Dan hebben we het gehad. Maar hij kwam bij zinnen en beende de woonkamer uit. Ik slaakte een zucht van verlichting. Gelukkig, niet nóg meer van hetzelfde.

 

Thuissituatie

Ik was elf toen mijn stiefvader me voor het eerst een tik in mijn gezicht gaf. Mijn moeder, broer en ik waren net bij hem ingetrokken. Ze waren twee jaar samen en in die periode was het al snel standaard dat hij om het minste of geringste in gebulder uitbrak. Het zorgde ervoor dat ik zo vaak mogelijk afsprak bij vriendinnetjes – bang dat bij mij thuis een vrolijke sfeer zo weer kon omslaan.

Toch ervoer ik mijn thuissituatie pas echt als dreigend toen het geweld ook fysiek werd. Mijn stiefvader spaarde niemand. Mijn moeder niet, mijn broer niet – al was ik de enige bij wie hij ook ’s nachts op bezoek kwam. Binnen een mum van tijd leerde ik een beschermingsmechanisme aan waarbij ik uit mezelf trad. Of hij nu tegen me schreeuwde, me sloeg of seksueel handtastelijk was; ik schakelde mezelf uit. Mijn lichaam was een lege huls, mijn geest zou hij nooit raken.

“Of hij nu tegen me schreeuwde, me sloeg of seksueel handtastelijk was; ik schakelde mezelf uit.”

Na de mavo trok ik direct in bij een vriendje. Mijn broer was een jaar eerder al vertrokken, de enige die nog gebukt ging onder het huiselijk geweld was mijn moeder. Maar die had een eigen keus, vond ik. Zoals haar kinderen beschermen. Dat ze dat nooit had gedaan en nu nog steeds zichzelf niet in bescherming nam, vond ik haar verdiende loon.

Mijn ongewenste toon tegen Ivar, die dag van zijn geheven hand? Die was niets meer dan de vraag hoe het kon dat er bijna geen geld meer op onze spaarrekening stond. Misschien had hij gewoon iets gekocht waarover hij me nog niet had ingelicht. Ik was niet boos, niet achterdochtig. Eén simpele vraag – en mijn hele jeugd trok weer als een waas aan mijn ogen voorbij.

 

Herhaling

Natuurlijk bleef het niet bij dat ene dreigement. De eerste keer dat zijn geheven hand wél richting mijn gezicht zeilde, was een maand na onze eerste trouwdag. Ik was het steentje uit mijn ring, zijn cadeau voor deze mijlpaal, verloren. Respectloos, oordeelde Ivar. Ik stelde voor er zelf een nieuwe in te laten zetten, maar voor Ivar lag er een diepere boodschap in het verlies; ik nam ons huwelijk niet serieus. Was dit soms hoe ik over ons dacht? Iets wat kostbaar was, maar waar ik onzorgvuldig mee mocht omspringen?

Nou, doe even normaal, wierp ik lachend tegen, meteen de laatste keer dat ik dat in mijn hoofd haalde. Binnen een seconde voelde ik de brandende pets tegen mijn jukbeen. Verbijsterd keek ik hem aan. Waarop Ivar geschrokken mijn gezicht pakte, huilend om vergiffenis smeekte en beloofde dat dit nooit meer zou gebeuren. Om het twee maanden nog eens te herhalen. En nog een keer. Steeds vaker afgewisseld met beledigingen en verhandelingen waarin hij mijn woorden zo verdraaide dat ik dacht dat ík gek was.

 

Wolf in schaapskleren

Het écht gekke: toen ik Ivar leerde kennen, leek hij de zachtheid zelve. De relatie met het vriendje op mijn zestiende had niet lang standgehouden. Ik zat in het tweede jaar van het mbo toen Ivar me aansprak in de kroeg. Maandenlang legde hij me in de watten met etentjes en cadeautjes. Een wolf in schaapskleren, maar dat ontdekte ik pas toen ik na vijf jaar samenwonen ons boterbriefje in handen had, en mijn naam op een hypotheekakte stond van een half miljoen. Niet iets waar je zomaar even uitstapt. En belangrijker: dat wilde ik ook helemaal niet.

Ik hield van Ivar. In elk geval van de Ivar op wie ik ooit verliefd was geworden. Of eigenlijk: het ideaalplaatje dat ik daarvan had gemaakt in mijn hoofd. Want feit was dat hij ook in onze samenwoonperiode al verbaal agressief uit de hoek kon komen.

 

Woedeaanvallen

Ik verlegde elke keer mijn grenzen. Ivars woedeaanvallen kwamen altijd onverwacht. Of misschien waren ze juist heel voorspelbaar: ze kwamen altijd op gezellige momenten. Tijdens een zondagmiddag in de tuin. Na een avondje met vrienden. Hij sloeg aan op de gekste dingen. Een Instagram-selfie waarop ik naar zijn mening te verleidelijk lachte. Een grapje dat volgens hem een sneer was. Een vergeten boodschap die aantoonde dat ik ons leven samen onbelangrijk vond. En ik trad uit mezelf voordat de klap zich aandiende, elke keer weer.

Wanneer Ivar weer iets deed om het goed te maken, dacht ik: zie je wel, het is een lieverd. Of ik zocht de schuld bij mezelf. Dacht dat ik het er wel naar gemaakt zou hebben: ik ben nu eenmaal nogal een flapuit, en niet altijd op een subtiele manier. Tussen de klappen en vernederingen door hadden we het bovendien enorm gezellig. Samen winkelen, een terrasje pakken, vakanties naar de mooiste landen – aan die lichtpuntjes hield ik me vast. Ook al realiseerde ik me best dat die al het donker dat er tegenover stond nooit konden uitwissen. Dus dit was waarom mijn moeder al die tijd bij mijn stiefvader was gebleven.

 

Beloftes

Na elke klap kwam de belofte van beterschap. En bij elke belofte boog ik. Ivars geweld betekende voor mij ook een comfortzone. Dit was ik gewend uit mijn jeugd. Ik kende simpelweg geen liefde zonder mishandeling, zelfs al zag ik om me heen best dat het anders kon. Niemand wist hoe het er bij ons thuis aan toeging. Naar de buitenwereld was Ivar uiterst charmant. Slim, grappig, gul. En ik keek wel uit mijn mond open te trekken. Niet alleen omdat ik bang was voor represailles, maar bovenal omdat ik me schaamde. Want wat zei het over mij dat ik zo slecht behandeld werd? Een slappeling, dat was ik. Ik voelde me volkomen waardeloos.

“Wat zei het over mij dat ik zo behandeld werd? Een slappeling, dat was ik.”

In een van onze oplevingen – Ivar hield zich zeker al een jaar gedeisd – raakte ik zwanger. Ivars werk als bouwkundig planner liep lekker, ik had het naar mijn zin als bedrijfsleider van een kledingboetiek. Zonder rare verrassingen zag ik geen reden waarom Ivar ooit nog zou ontsporen. Dus kaartte ik onze kinderwens, die al jaren bestond, nog eens aan. Binnen drie maanden was ik zwanger.

Ivar kon zijn geluk niet op en behandelde me als een koningin. Hij vond me de mooiste vrouw op aarde. Werkelijk alles nam hij me uit handen. Hij bediende me met thee en koekjes, smeerde midden in de nacht boterhammen met kaas en mayonaise en was onvermoeibaar in het shoppen voor de babyuitzet. ‘Míjn baby, in jóúw buik’, bleef hij maar zeggen, stralend. Achteraf een rode vlag, want hoezo zag hij dit als zíjn baby, en niet als óns kind? Maar ik voelde me dolgelukkig. Alles wat daarvoor was voorgevallen, verdrong ik.

 

Lees ook

Relatiecrisis na de kinderen: ‘Misschien moeten we er maar mee ophouden' >

 

Uit het niets

Milou was anderhalf toen alles veranderde. Ik was net gestopt met de borstvoeding toen we voor het eerst in tweeënhalf jaar weer eens een avond samen uit eten waren. Tijdens het hoofdgerecht ging het mis. Ik had hem anderhalf jaar als vuil behandeld, stelde Ivar. Met de komst van Milou had ik geen oog meer voor hem, altijd plaatste ik haar op de eerste plaats. Hij was alleen maar goed geweest ‘voor het zaad’, zei hij grimmig. ‘Waarom gá je eigenlijk niet gewoon, als je het zo vreselijk vindt met mij?’

Ik was met stomheid geslagen. Waar kwam dit opeens vandaan? Met mijn hart in mijn keel stamelde ik dat een baby nu eenmaal heel veel tijd kost. Dat ik ons ook enorm miste. Maar Ivar was op ramkoers. Hoe kleiner ik me maakte, hoe agressiever hij werd. ‘Je was vastberaden deze avond te saboteren, en dat is je gelukt’, constateerde hij, en vroeg om de rekening nog voor onze borden leeg waren.

Zwijgend reden we naar huis tot de auto in de berm tot stilstand bracht. ‘Heb je hier nu écht niets op te zeggen?’ brieste hij. Ik wilde sorry zeggen. Beterschap beloven. Maar toen ik mijn mond opende, had ik de eerste klap tegen mijn kaak al te pakken. Ik riep dat hij op moest houden. Dat ik rust en geluk wilde voor ons gezin. Maar Ivar kreeg een waas voor zijn ogen.

 

Vertrekken

Als ik mijn verhaal nu vertel, roept iedereen: maar waarom vertrok je niet gewoon? Ik kon ook leven zonder hem. Niet in de luxe die ik gewend was, maar in vrijheid. Niemand verdient het vernederd en mishandeld te worden. Maar ik snakte zo naar liefde, en kende geen mooiere dan die ik van Ivar kreeg, dat ik bleef hopen. Dat hij tot inkeer zou komen. Dat het plaatje dat ik van ons had gemaakt in mijn hoofd eindelijk werkelijkheid zou worden.

Dat dat nooit zou gebeuren realiseerde ik me een jaar na die avond in het restaurant. Milou was hangerig en een dag thuis van het kinderdagverblijf. Ivar werkte thuis, ik kon niet wegblijven uit de winkel. Op het moment dat ik de sleutel in het slot van de voordeur stak, wist ik dat het foute boel was. Ik hoorde Milou huilen, met lange uithalen. Ivar liep verstijfd door de woonkamer. ‘Gék word ik van dat kind, ze valt gewoon niet te hanteren’, bulderde hij. Milou huilde steeds harder.

“Zijn hand zeilde door de lucht, ik hoor de klets in haar gezicht nu nog.”

Ik neem haar wel even mee voor een rondje buiten, opperde ik. Maar daar wilde Ivar niets van weten. Het was tijd dat er eens wat discipline kwam, vond hij. ‘Naar boven jij’, sommeerde hij Milou. Die kon op haar beurt alleen maar ‘Papa, nee’, roepen. Nog geen drie jaar was ze. Doodsbang. En bij haar laatste weigering naar boven te lopen, zeilde zijn hand door de lucht. Precies zoals het mij altijd was overkomen, en toch was ik te laat om ertussen te springen. Ik hoor de klets in haar gezicht nog steeds. ‘Niet mijn kind!’ gilde ik. En met Milou in mijn armen rende ik naar de buren.

 

Vrijheid

Onze scheiding is nog steeds niet rond; Ivar weigert elke medewerking. Vanaf die avond logeerde ik bij mijn zus, wel een halfjaar lang.

Nu, drie jaar na de laatste klap, wonen Milou en ik in een appartement dat we via via onderhuren. Ivar betaalt geen cent. Hij ziet Milou nog wel, maar alleen onder mijn toezicht. Dan eten we een taartje in de stad of maken een strandwandeling. Ongemakkelijke momenten, want ik wil niet dat ze de spanning voelt tussen Ivar en mij. Ze verdient een vader. Zo niet een goede, dan in elk geval een aanwezige. Ze herinnert zich de klap, maar niet heel levendig. Toch vraagt ze niet om meer tijd met haar vader. Ivar dreigt weleens met een voogdijzaak. Maar als ik daarop zeg dat ik dan de helft van al ons vermogen eis, bindt hij in. Zo komt de scheiding geen stap verder, maar is mijn dochter tenminste veilig.

Ik weet niet of ik ooit nog vertrouw in de liefde. Of in elk geval: mijn beeld daarvan. Sinds een jaar praat ik met een psycholoog om aan mijn eigenwaarde te werken. En met Milou voelt mijn leven compleet. Zo vrij als nu heb ik me nog nooit gevoeld. Dat lever ik nooit meer in.”

 

Dit artikel staat in Kek Mama 01-2022.

 

 

Meer Kek Mama? Volg ons op Facebook en Instagram.