kind laten schrikken
Beeld: Unsplash

Een krijsende heks, een poepebeest in je capuchon, spoken: Julia jaagt haar kinderen de stuipen op het lijf. Worden ze sterk en moedig van. Denkt ze.

Niet griezelen, hè mam?” piept mijn vijfjarige zoon als hij de tweede en laatste trap naar zijn zolderkamertje neemt. Het licht op de overloop is stuk en als ik hem naar bed breng, ziet hij daar net wat meer onheil in dan als zijn vader dat doet. “Nee, écht niet”, lieg ik, om een minuut later een ijzig gilletje te slaken en naar iets onzichtbaars in het trapgat te staren. “Niet doehoen”, zegt hij half lachend, half argwanend mijn blik volgend. “Niet griezelen, weet je nog?”
 

Onbetaalbaar grappig

Ik kan het niet laten, mijn kinderen de stuipen op het lijf jagen. Het varieert van onverwachts achter een deur vandaan springen tot spookverhalen waarin het bloed in het rond spettert. In mij zit een gniffelende Japanner die tot tranen toe kan lachen van hun ontzette uitdrukkingen – om alles daarna met een licht schuldgevoel snel af te kussen. De afschuw, schrik en lichte paniek in hun kindergezichtjes als resultaat van een practical joke is simpelweg onbetaalbaar grappig.
 

De pierrot

Het is niet zo dat ik een gebrek aan empathisch vermogen heb. Ik weet nog heel goed hoe we tijdens een zomervakantie in de Franse stad Avignon, ik moet een jaar of acht zijn geweest, een straattheaterfestival bezochten. Toen we langs een pierrot kwamen, liep hij mime spelend naar mij toe en bleef me achtervolgen, tot achter de rug van mijn moeder aan toe. Tot hilariteit van het publiek, maar ik droomde nog maanden van dat zwart-witte, half blije, half verdrietige masker dat ik niet af kon schudden. Maar ja, ik ben er ook weer niet zo levenslang door getekend dat het me er nu van weerhoudt zélf zo’n plaaggeest te zijn. Au contraire.
 

'Denk je dat ze echt bestaan hebben?'

Het hoogte- dan wel dieptepunt in mijn carrière als schrikker is het mummieverhaal. Ik kan het niet eens opschrijven zonder te grinniken. Mijn oudste zoon was een jaar of zes toen hij kennismaakte met het fenomeen zombie/mummie/willekeurige variatie op ‘levende dode’. Overdag was het ’t gesprek van de dag (“Wonen wij dichtbij een begraafplaats?” “Denk je dat ze echt bestaan hebben?”), maar wanneer het donker werd maakte zijn nieuwsgierigheid plaats voor een onbehaaglijk gevoel.
 

Een grapje op zijn tijd

Gelukkig was zijn vader ook wel in voor een grap op zijn tijd, dus terwijl hij zoonlief nog een verhaaltje voorlas, wikkelde ik mijzelf in de badkamer razendsnel van top tot teen in wc-papier. Ik drukte het ganglicht uit en begon stommelend en kreunend mijn weg de trap op. “Moehahahaaaa.” “Pap?” hoorde ik een bibberend stemmetje vragen, maar voordat die kon reageren gooide ik de deur open en hinkte met vooruit gestrekte armen zijn slaapkamertje in. Mijn zoon zat tegen het plafond. Wij lagen op de grond van het lachen.

Het ergste is dat ik er nog een soort pedagogische draai aan probeerde te geven, door het wc-papier af te trekken en te zeggen: “Zie je wel, mummies bestaan dus níet.” Wanneer ik dit verhaal vertel aan andere moeders, krijg ik gemengde reacties. Sommigen lachen net zo hard als ik, anderen menen stellig dat mijn kinderen later psychologische ondersteuning nodig zullen hebben. Eén enkele vriendin is net zo erg als ik, die stuurt filmpjes in een moeder-appgroep terwijl ze met een denkbeeldige spin op haar hand langzaam haar licht hysterische peuterdochter benadert.
 

'Ze wíllen het'

Het vreemde is dat mijn kinderen het aan de ene kant verafschuwen en er aan de andere kant zelf om vragen. Ze wíllen soms even lekker bang gemaakt worden. Mijn jongste van vijf heeft er een speciale gezichtsuitdrukking voor: half bang, half verrukt. Zijn grootste panische momentje was het poepebeest (ja, die naam slaat nergens op, maar het is improviseren hè?). Ik hield mijn handen met gespeelde kracht op elkaar alsof er een afschuwelijk en wild insect in gevangen zat, en liet die zogenaamd vrij in zijn capuchon. Ik heb nog nooit een kleuter zo potsierlijk zien volksdansen als mijn zoon, terwijl hij dat monstrueuze wezen gillend uit zijn kleding probeerde te schudden. Toch vraagt hij nog steeds of ik toevallig nog zo’n poepebeest heb gevangen.
 

Lees ook
Playdates om van te griezelen >

 

De heks

Soms vragen ze of ik de heks wil doen. Als alle lichten uit zijn, begin ik manisch en scherp te lachen, krom al mijn vingers op een verkrampte manier en kakel dat ik zin heb in vers kindervlees, terwijl zij diep onder hun dekbedden verdwijnen. Maar als ik de heks word zonder daartoe expliciet uitgenodigd te zijn, vinden ze het weer níet grappig. Zeker niet als ik net daarvoor geruisloos en in het donker de trap op ben geslopen en ze al bijna slapen.
 

Het spelen met angst

Doe ik ze nou echt wat aan, met een beetje griezelen op zijn tijd? Ik denk het niet. Ik geloof oprecht dat ik ze geen gunst bewijs door ze in een suikerzoete niks-aan-de-hand-wereld te laten opgroeien waarin nooit iets onverwachts gebeurt. Maar los van mijn persoonlijke opvattingen, wordt ook in pedagogisch opzicht het spelen met angst niet per se afgekeurd.

Neem sprookjes: die zijn lang niet altijd even fraai. Wrede koningen, boze heksen en dolende ridders vergroten allerlei enge menselijke trekjes uit en spelen de hoofdrol in meer dan één kinderverhaal. Het kwade en het goede met elkaar in strijd, dat is spannend en leerzaam. Zeker omdat het goede vrijwel altijd zegeviert, door creatief gevonden oplossingen van de helden in het verhaal. Griezelen is niet alleen oefenen in bang zijn, maar óók in moed.
 

Angst is een golf

Er zijn zelfs psychologen die stellen dat enge verhalen een kind kunnen helpen in allerlei stadia van zijn ontwikkeling. Kleuters gaan bijvoorbeeld voor het eerst de wijde wereld in en moeten zich losmaken van hun ouders – dan is een verhaal als Hans en Grietje gruwelijk, maar ook op een dieper niveau best herkenbaar – en troostend, want het komt goed. De wereld van een kind is griezelig, onoverzichtelijk en overrompelend. Door af en toe samen flink te griezelen, ervaren ze dat angst een golf is die komt, maar ook weer gaat. Met een beetje griezelen leren kinderen om niet bang te zijn voor de angst zelf.

Met dat in mijn achterhoofd, heb ik niet veel last van schuldgevoel wanneer ik tijdens het avondeten vertel over een ontsnapte tovenaar die nog één kinderbeentje nodig heeft om zijn giftige drank af te maken, en dat de buurvrouw hem bij ons in de straat zag zoeken naar jongetjes met gezonde, lekkere beentjes.
 

'Inmiddels laten ze míj schrikken'

Natuurlijk zijn er wel grenzen. Ik ken mijn kinderen goed genoeg om te weten wanneer iets écht niet grappig is. Wanneer ze vragen of het waar is, lieg ik niet. En maakt u zich geen zorgen, de schrik heeft nog nooit langer dan zestig seconden aangehouden. Inmiddels laten ze míj schrikken, op hun eigen onbeholpen (en nogal doorzichtige) manier. En het leukste is als we sámen griezelen. Want niets verbindt zo als met z’n allen onder een kleedje wegduiken voor spoken die niet bestaan.
 

Dit artikel staat in Kek Mama magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

dol op kinderen alleen mezelf
Beeld: Pixabay

Joan zegt het maar ronduit: ze houdt niet van andermans kinderen. Beter gezegd: niet van onopgevoede kinderen die wel twaalf speelgoedbakken kunnen omkieperen maar nog niet één legoblokje zullen opruimen

De rosé-appgroep volstorten met bevallingsfoto’s. Een echo als Facebookprofiel. 123 nieuw toegevoegde foto’s aan het album Sprookjeswonderland. Duizend kiekjes van kleine Nina of Sem die bedelen om likes. Voor mij hoeft het niet, al die tentoongespreide kinderen op social media. Ik kan er niks mee. Een baby is een baby, een kind is een kind. Of het nu veel of weinig haar heeft, bolle wangen of schattige dreads.

Een enkele keer laat ik me verleiden tot een duimpje of hartje omdat ik anders zo harteloos overkom. Hetzelfde geldt voor verhalen over schattige baby’s, dreumesen en peuters. Ik mis de clou (die er vaak ook niet is), ik haak af bij opboksverhalen over wanneer een kind kon lopen, zindelijk was, zijn veters strikte of alle tafels kende.
 

Gelukkig van nageslacht

Blijkbaar denkt mijn omgeving dat ik vanwege mijn achtergrond net zo gelukkig word van hun nageslacht als zijzelf. Zwanger worden ging bij mij niet vanzelf. Dat is nogal een understatement, als je bedenkt dat het me tien jaar kostte om mijn zoon te krijgen. Toen ik vlak voor mijn dertigste de pil door de wc spoelde, rekende ik erop de volgende maand al positief te testen. Ik was altijd doodsbang geweest een keer een pil te vergeten en prompt zwanger te raken. Dus die keer dat ik het opzettelijk deed, verwachtte ik dat mijn lijf meteen de boodschap zou oppakken. Niet dus. Pillen, spuiten, reageerbuisjes – ik kwam terecht in de hele medische mallemolen.

Om een lang verhaal kort te maken en ook nog eens zegevierend af te sluiten: op de valreep, een maand voor mijn veertigste verjaardag, werd ik toch nog moeder. Ik kreeg een heerlijk kind waarover alle clichés waar zijn. Twee dagen na zijn geboorte keek ik in de wieg en dacht: als er ooit iets met jou gebeurt, hoeft het leven voor mij niet meer. Een gevoel dat daarvoor niemand bij me had opgeroepen en dat ik nu tot in mijn tenen voelde.
 

Stapelgek op kinderen? Mis.

Met zo’n succesverhaal verwacht de buitenwereld dat je stapelgek bent op kinderen. Als je zo veel moeite doet voor een baby, ben je blijkbaar een moederkloek, kindervriend en babyfluisteraar ineen. Mis. Het tegenovergestelde is waar. Als ik één ding heb ontwikkeld in mijn kinderloze jaren, dan is het een hekel aan andermans spruiten. Beter gezegd: het onopgevoede kind. Of nog beter: aan hun ouders die niet-opgevoede producten afleveren.

Ik vind het vervelend als ik tien uur lang in mijn rug word getrapt door een jongetje in de vliegtuigstoel achter me. Als er kinderen tikkertje spelen in een restaurant. Als nichtjes en neefjes op een verjaardag met twee ongewassen handjes in de bak met chips/ cashewnoten/ komkommers duiken en de tafel leegsnaaien. Laat ik het vriendelijk formuleren: dan ben ik niet zo goed in het onderdrukken van mijn ergernis.
 

Basisbeleefdheidsregels

Natuurlijk zou ik het allemaal anders doen als ik zelf kinderen had. En natuurlijk slaag ik daar niet altijd in, want ook mijn zoon is geen modelkind en weleens moe, hangerig en chagrijnig. Ook heeft hij eigenschappen waaraan een ander zich misschien stoort, maar die ik toevallig goed kan verdragen (zoals bloedfanatiek sporten en elk spelletje willen winnen). Maar de basisbeleefdheidsregels zitten er bij hem wel ingebrand.

Mijn credo is ‘mijn kind mag geen overlast bezorgen aan anderen’. Callum is pas zeven en ik kan hem rustig meenemen naar een restaurant, verjaardag, bruiloft of begrafenis. En voor trans-Atlantische vliegreizen draait hij zijn hand niet om. Dankzij goeie voorbereiding, afleiding, hapjes en vertier in de handbagage zit hij de lange vlucht uit, zonder noemenswaardig contact met medepassagiers. Na afloop van een playdate helpt hij met opruimen en geeft hij de ouder van het vriendje een handje en bedankt voor het spelen. Daar sta ik op.
 

Irritatie

Zelf vind ik het daarom lastig als kinderen hier een hele middag spelen en bij het afscheid nog geen doei uit hun snavels krijgen. Kids die wel twaalf speelgoedbakken feilloos weten om te kieperen, maar nog geen legoblokje willen terugleggen. Meestal zwaai ik moeder en kind overdreven lang na, in de hoop dat er iemand nog enige fatsoensregels herinnert. Om vervolgens met Callum aan het puinruimen te slaan en hem er nogmaals op te wijzen dat ik dit gedrag nooit zou accepteren.

Als ik een feestje geef en een vriendje van Callum na één hap frikadel met volle mond roept dat hij nog een tweede wil, mis ik het gen om dat weg te lachen en te denken: wat fijn dat het jochie zo geniet van de snack. In plaats daarvan irriteert het me mateloos en denk ik vals: jij krijgt als enige helemaal niets meer. Geen mooie karaktereigenschap, niet iets waar ik trots op ben, maar het is wel zo.
 

Lees ook
'Ik vind mijn jongste kind leuker' >

 

'Als het om kinderen gaat, is niks haar te veel'

Ik kijk dan ook vol bewondering naar vrouwen die instant van andermans kinderen houden. Die lieve moeder die elke ochtend in de klas stralend mijn kind begroet, hem bij zijn voornaam noemt en complimenteert met zijn nieuwe poloshirt/ Beyblade/ lunchbox terwijl ik niet eens weet hoe haar kind heet. De moeder die op het klassenuitje soepel zes stuiterende kids in bedwang houdt, terwijl ik er nog geen drie bij elkaar weet te houden – waaronder mijn eigen zoon die ineens een stuk minder goed luistert dan thuis. Mijn buurvrouw waar dagelijks hele schares buurtkinderen zich verzamelen en die een schijnbaar bodemloze vriezer vol ijsjes heeft. Jaloers kijk ik naar haar energie, geduld en warme inborst. Ze is 78, maar als het om kinderen gaat, is niks haar te veel.

En dan is er mijn vriendin Hettina, die ik de oermoeder noem. Zij houdt van elk kind dat ze in haar handen krijgt gedrukt (of gewoon uit andermans box of kinderwagen grist). Ze krijgt het verdrietigste kleintje nog aan het lachen. Elke baby valt op haar schoot meteen in slaap. Ook bladert ze verrukt door babyalbums en roept bij elke foto oh en ah. Toen mijn zoon net was geboren, kwam ze drie avonden bij me logeren om me door de eerste nachten te helpen. Vrijwillig.
 

Niks met baby's

Zelf heb ik dus helemaal niks met baby’s. Maar echt. Zal wel een teveel aan mannelijke hormonen zijn. Ik ben namelijk stapel op voetbal en Formule 1 en net als de meeste mannen vind ik kinderen pas lollig vanaf pakweg anderhalf jaar. Als ze kunnen lopen en een beetje praten. Eerder kan ik er gewoon niks mee en vind ik het een opgave ze op schoot te nemen of de fles te geven.

Voordat ik moeder was, kon ik nog wegkomen met een dom grapje: ‘Nee joh, straks laat ik het vallen of breekt er een armpje af, haha.’ Maar sinds ik zelf heb gebaard vertrouwen moeders mij trouwhartig hun larfjes toe. Ik kom niet meer weg met een smoes, ik krijg ze automatisch toegestopt. Overigens snappen die baby’s dat ik er niet veel mee kan, want ze zetten het bij mij onmiddellijk op een brullen.
 

Gave

Er zijn heus wel kinderen die ik kan verdragen en leuk vind. Kinderen die van hun ouders redelijk ouderwetse gedragsregels hebben geleerd of die van zichzelf erg grappig, voorkomend en innemend zijn. Maar dat zijn niet per se Callums beste vrienden. Helaas heeft hij de gave maten te kiezen die snel op mijn irritatielevel zitten.

Callum mag natuurlijk zijn eigen vriendschappen sluiten, zelfs met jongens en meiden die zijn moeder niet pruimt. Maar dat betekent niet dat ik hem niet een beetje kan sturen. Zo zijn er twee buurjongens die elke zin met een scheldwoord larderen. Ik heb ze al twee keer boos van de trampoline gestuurd omdat ze het leuk vonden non-stop ‘je bent een vieze homo’ te zingen.
 

'Dol op hun moeder, niet op die van een ander'

De eerste keer heb ik keurig uitgelegd dat artikel 1: gij zult niet discrimineren ook en vooral in mijn tuin gold. Maar toen ik niet lang daarna weer ‘homo, flikker en mietje’ uit hun monden hoorde, stormde ik naar buiten om met íets meer volume en agressie te zeggen dat een volgende keer dat ik zo’n uitspraak hoor, ze nooit meer een voet in de tuin mogen zetten. Daarmee won ik niet de wedstrijd van ‘coolste moeder’. De broertjes kijken me sindsdien doodsbang aan en vermoeden dat ik ze de volgende keer in mijn kelder verstop. Ach, voor hen zal ook gelden: dol op hun moeder, niet op die van een ander.
 

Dit artikel heeft eerder in Kek Mama gestaan.

 

 


Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

niet vertellen over kinderen opvoeden
Beeld: Unsplash

Wat zijn de belangrijkste dingen die jij nooit hebt gehoord over het krijgen van kinderen, maar je wel graag had willen weten? Buzzfeed heeft een aantal van de beste antwoorden.

1. Volwassenen zijn grote kinderen

via GIPHY

"Volwassenen zijn grote kinderen. We hebben dezelfde basiseisen en vaak ook dezelfde problemen. Als we niet genoeg eten, slaap of gezonde relaties hebben worden we moe, geïrriteerd en boos. Dat kan gaan van een licht humeur tot een woedestorm compleet met schreeuwen, vechten of zelfs fysiek geweld." — Brian Knapp

 

2. Veel, heel veel saaie taken

via GIPHY

"Veters strikken, het verdomde 'Little Green Frog'-liedje 50 keer zingen, in je hoofd bijhouden wat je kind heeft gegeten om te bepalen of de volgende maaltijd rijk aan proteïne of vetten of vezels moet zijn en elke keer glimlachen als je kind de kamer inloopt, zelfs als je een moord zou plegen om vijf minuten alleen te zijn. Jup, deze mensen verdienen een onderscheiding voor doorzettingsvermogen." — Imogen Moore

 

3. Een kleuter is net een slordige huisgenoot

via GIPHY

"Het ene moment geniet je van elkaars gezelschap, kaarten, grappige kattenvideo's kijken op YouTube, gewoon een beetje hangen — dan ga je naar de badkamer om tandpasta over de hele wastafel en handdoek te vinden. Dan sta je in de deuropening, schreeuwend: 'Er zit tandpasta overal! Ruim eens op nadat je je tanden hebt gepoetst!' Je nieuwe huisgenoot komt grinnikend de hal in. 'Sorry, ik liet mijn tandenborstel vallen nadat ik er tandpasta op had gedaan en toen ben ik het vergeten.' Je lacht, maar de volgende dag gebeurt weer hetzelfde." — Tamara Troup

 

4. Terwijl je kind opgroeit ga je de persoon missen die hij/zij was

via GIPHY

"Waar is die driejarige die op schoot kroop om boeken te lezen en de oprit versierde met kunstwerken van krijt? Waar is die tienjarige die in volledige stilte elke nacht uren zat te tekenen? Waar is die grappige veertienjarige die hilarische verhalen vertelde over zijn dag, elke dag? Ze zijn weg, voor altijd." — Jessica Margolin

 

5. Kinderen leren jou net zoveel

via GIPHY

"Je hebt niet alleen kinderen — kinderen hebben jou. Ze hebben je in de palm van hun kleine handjes, om te kneden en je net zoveel te leren als andersom. Zij zijn niet de enige die aan het groeien zijn." — Jeff Darcy


Lees ook
7 dingen die ik moeilijk vind aan opvoeden >


 

6. Het is heel moeilijk om te slapen 'als de baby slaapt'

via GIPHY

"Mijn dochter viel een keer in slaap terwijl ik haar aan het voeden was. Het was 2 uur 's middags en ik dacht dat ze maar vijf minuten zou slapen, dus ik ben opgestaan en heb haar daar laten liggen. Drie uur later was ze nog diep aan het slapen en waren mijn man en ik beiden uitgeput, omdat we zelf niet bij het bed konden zonder haar wakker te maken. We wisten niet of we nou moesten huilen of lachen. Ik denk dat we het allebei hebben gedaan." — Shiri Dori-Hacohen

 

7. Alles zelf uitvogelen

via GIPHY

"Je zal allerlei soorten advies tegenkomen, goed of fout, over alles dat te maken heeft met jouw kinderen. Maar toch moet je het allemaal zelf uitvogelen - ondanks dat mensen kinderen hebben grootgebracht sinds het menselijk ras is geëvolueerd." — Scott Stirling

 

8. Je kan nooit genoeg geduld hebben

via GIPHY

"Ik dacht altijd dat ik meer geduld had dan andere familieleden en dat dit een voordeel zou zijn bij het opvoeden van een kind. Het is nuttig, maar het is alsnog niet genoeg." — Roy Ronalds

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >