Roos Schlikker ambassadeur Stichting Living Memories

Roos Schlikker vindt het prima als haar zoontjes huilen, maar zelf kan ze het niet. 'Gij zult uw kinderen niet belasten met uw verdriet'. Zoiets.

Mijn vader kon alles. Hij kon banden plakken, hij kon autorijden, hij kon me de gouden regels van het grote Monopolyspel uitleggen. Hij kon racefietsen, hij kon rekenen, hij kon voorlezen als de beste. Hij kon me zelfvertrouwen geven (“Wat een prachtige tekening! Houd ik hem op z’n kop? Nou, toch vind ik hem prachtig, hoor.”), hij kon biefstukken bakken, hij kon me leren zwemmen op een zelfbedacht liedje (“Zwem maar rustig door, want het gaat al goed.”). Mijn vader kon alles.

 

Eén ding kon hij niet

Maar één ding kon hij niet: hij kon niet tegen huilen. Als ik op mijn elleboog viel, me buitengesloten voelde door een vriendinnenclubje of ruzie had met mijn buurjongen en in tranen dreigde uit te barsten, deed hij altijd De Wapper. Hij begon met die grote handen van hem een tikje onbestemd in de lucht te wapperen, beklopte onhandig mijn meisjesschouder en riep al gauw monter: “Nou, kind, zo erg is het allemaal niet. Wil je een ijsje?” 

Ook als mijn moeder weleens moest huilen wist hij niet waar hij het zoeken moest. “Toe schat, hou nou op, het komt wel goed”, wist hij er doorgaans nog net uit te persen om vervolgens zo snel mogelijk over een vrolijk onderwerp in de categorie aanstaande vakantie of de laatste conference van Youp van ’t Hek te beginnen, alles om er maar voor te zorgen dat de tranen stopten. Dat deden ze dan ook.

 

Heel raar voorbeeld

Sterker nog: ik ben nooit een overtuigde huiler geworden. Dat heeft zo zijn voordelen. Nimmer zal ik op mijn werk in grienen uitbarsten als ik te maken heb met een nare chef. Als ik midden op straat met twee volle boodschappentassen en een kind aan mijn hand vol op mijn gezicht ga en me een blauwe knie val, zal ik altijd meteen opstaan, iets te hard: “Gaat wel, gaat wel!” roepen en doen alsof ik gewoon een gek dansje maak in plaats van op mijn plaat te gaan (Struikelhul noemde Kees van Kooten dat ooit zo mooi). Ik word gezien als stoer, als iemand die ze er niet snel onder krijgen, als een sterke dame. Daar is niets mis mee, ware het niet dat ik helemaal niet zo krachtig ben als ik probeer te lijken. En ik eigenlijk vind dat ik mijn kinderen een heel raar voorbeeld geef.

Ik kan overigens heel goed tegen hun tranen. Bij groot ik-ben-een-gat-in-mijn-hoofd-gevallen-leed en bij klein er-zit-een-gat-in-mijn-sok-verdriet mogen ze altijd huilen. Sterker nog: ik neem ze in mijn armen en maan ze nog harder te blèren. Omdat het zo oplucht en omdat ik ze wil leren dat verdriet normaal is, bij het leven hoort en geuit mag worden. Maar zelf kan ik het niet.

 

Gij zult niet wenen, Schlikker

Drie jaar geleden was mijn liefste tante ernstig ziek. Ze was het jongste zusje van mijn moeder, degene bij wie ik altijd mocht logeren en die me eindeloos het boekje Raad eens hoeveel ik van je hou voorlas. Op een dag toen ik met de jongens aan een weekendcroissantje zat, kwam het telefoontje. Christine was stervende, ik moest me voorbereiden op het afscheid. En wat deed ik? Ik liep met een grimaslach het balkon op (“Mama moet even de plantjes controleren jongens, niks aan de hand”) en ben tien minuten lang met mijn neus tussen de geraniums gaan zitten, mezelf manend mijn tranen weg te slikken. Gij zult niet wenen, Schlikker. Gij zult uw kinderen niet belasten met uw verdriet.

Toen ik naar het ziekenhuis ging, riep ik dat ik even een boodschapje moest doen. Terug in de auto jankte ik mijn lieve, overleden tantetje uit mijn hoofd, ik perste, ik bibberde, ik gooide alles eruit. Om vervolgens totaal kalm het huis binnen te stappen en vrolijk te vragen wat voor de leuks de jongens aan het doen waren. Als ik er nu over nadenk vind ik dat ik me totaal krankjorum heb gedragen. Er ging iemand dood, daar hoort verdriet bij, hoezo kan ik dat niet delen met mijn kinderen? Het is de angst hén verdrietig te maken.

Natuurlijk, ik weet dat het leven geen krentenbol is. Ik vertel ze heel bewust over de kindertjes in Afrika, over mensen die op de vlucht zijn, dieren die in asiels zitten, ik houd het realisme echt niet buiten de deur. Maar mijn eigen tranen laten zien, ik vind het moeilijk.

 

Suikerzoet in limonade gedrenkt paradijs

Overigens is dat heus niet de schuld van mijn lieve vader. Ik zie meer ouders worstelen met dit probleem. We bedoelen het zo goed. Het liefst openbaren we de wereld aan ons kroost als één groot suikerzoet in limonade gedrenkt paradijs, waar mensen elkaar eeuwig innig liefhebben, vogels altijd kwinkeleren, de regen als een zachte douche voelt en muziek op iedere hoek van de straat uit open ramen schalt. Helaas, zo werkt het niet.

De realiteit is dat er mensen zijn die met vrachtwagens kerstmarkten op rijden om zo veel mogelijk bloed te doen vloeien, dat kinderen zo gepest worden dat ze dood willen, dat alleen maar zoete dingen eten je gebit uit je mond doet rotten, dat mensen van wie je houdt dood kunnen gaan en dat regen vaak snoeihard in je gezicht slaat met een beetje pech vergezeld door hagelstenen zo groot als pingpongballen. We vertellen het onze kinderen maar bij voorkeur zachtjes en omfloerst, zelden verstikt door verdriet. En dat is zo goed bedoeld. Nog steeds raak ik ontroerd door de vader uit de film La vita è bella die met zijn zoontje in een concentratiekamp zit en doet alsof alle narigheid die daar voorvalt slechts onderdeel is van een vrolijk spelletje. Het is zinloos natuurlijk, maar we willen allemaal de pijn bij onze kinderen weghouden.

 

"Wat ben je mooi als je huilt"

Tegelijkertijd realiseer ik me dat als ik mijn huilende kop in de geraniums blijf verstoppen, ik mijn jongens een heel rare les leer, namelijk dat huilen verboden is voor moeders. En dus probeer ik te veranderen. Ik vertel het ze vaker als ik ergens verdriet om heb of me niet zo prettig voel. Doorgaans reageren ze daar allerschattigst op. Ik merk vooral aan mijn oudste dat het hem sterkt dat mama ook weleens geen supervrouw is, maar een mens met dezelfde emoties als hij.

Laatst ging ik met ze naar de musical Ciske de Rat. Ik herinner me nog dat mijn vader me meenam naar die film destijds en ik in het donker tranen met tuiten heb gehuild toen Danny de Munk zong hoe verdomd alleen hij was. En nu in dat duistere theater zingt een kleine Ciske, precies in de leeftijd van mijn oudste Miró, hetzelfde liedje met zo’n prachtig trillend jong jongensstemmetje. Ik voel de tranen naderen en denk: toe maar, laat maar komen. Minutenlang zit ik met mijn kletsnatte gezicht naast mijn kind dat ademloos kijkt. Niet naar het podium maar naar mij. “Mama”, fluistert hij. “Wat ben je mooi als je huilt.” Ik grijns, begin aan De Wapper maar laat dan mijn hand zakken en trek hem dicht tegen me aan. Misschien moet ik hem maar geloven.

 

Dit artikel staat in Kek Mama 03-2017.

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

nipt-zwangere-vrouwen

Door de NIPT kun je tijdens je zwangerschap zien hoe groot de kans is dat jouw baby het down-, edwards- of parausyndroom heeft. Maar hoe werkt zo'n test precies? Wanneer kun je 'm doen? En wordt-ie ook vergoed? Wij zochten het voor je uit. 

Want waar de test lange tijd alleen beschikbaar was voor zwangeren met een verhoogde kans op een kind met een chromosoomafwijking, mag sinds april 2017 iedere vrouw er gebruik van maken. Als je er behoefte aan hebt, dan. En als je betaalt, want vrijwillige deelname kost € 175 en wordt niet vergoed door de zorgverzekering.

 

DNA

NIPT betekent 'Niet-Invasieve Prenatale Test' en is een onderzoek dat bestaat uit het afnemen van een paar buisjes bloed. Hierin zit erfelijk materiaal (DNA) van de placenta dat bijna altijd hetzelfde is als dat van je kind. Zo kan het laboratorium dus, veilig én zonder het risico op een miskraam, onderzoeken of jouw baby het down-, edwards- of patausyndroom heeft. Wel goed om te weten: je kunt de test pas laten doen vanaf elf weken zwangerschap. 

 

Nevenbevindingen

Het laboratorium kan terwijl ze de NIPT uitvoeren ook zien of je kind andere (zeldzame) chromosoomafwijkingen heeft: die worden nevenbevindingen genoemd. Je mag zelf beslissen of je deze wilt weten en kunt dan ook kiezen uit twee mogelijkheden:

  1. Je wilt je kind alleen laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom. Het laboratorium weet dan ook niet of er nevenbevindingen zijn.
  2. Je wilt je kind laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom én je wil weten of het laboratorium nevenbevindingen heeft gevonden.

 

Lees ook
Extreme zwangerschapsmisselijkheid: ‘Zelfs een slokje water kwam er meteen weer uit’ >

 

Uitslagen

Na tien dagen krijg je de uitslag van je gynaecoloog of verloskundige. Als je ervoor hebt gekozen ook nevenbevindingen te willen horen en het laboratorium heeft deze gevonden, dan word je meestal gebeld door het Centrum voor Prenatale Diagnostiek of een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis. De uitslagen die je kunt krijgen zijn: 

 

‘U bent waarschijnlijk niet zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

Deze uitslag klopt bijna altijd: minder dan één op de duizend zwangere vrouwen blijkt achteraf toch zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom. Bij deze uitslag krijg je geen vervolgonderzoek.

 

‘U bent mogelijk zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

  • Bij 75 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met downsyndroom, klopt dat inderdaad; 25 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met downsyndroom.
  • Bij 24 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met edwardssyndroom, klopt dit inderdaad; 76 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met edwardssyndroom.
  • Bij 23 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met patausyndroom, klopt dit inderdaad; 77 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met patausyndroom.

Als je echt zekerheid wilt hebben, kun je alsnog een vlokkentest of vruchtwateronderzoek laten doen.

 

‘Er is een nevenbevinding gevonden.’

Je krijgt dan uitleg over wat precies er is gevonden en wat dit mogelijk voor jou en/of voor je kind betekent. Je krijgt hiervoor een uitnodiging voor een gesprek op een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis, waarin je meer informatie over de nevenbevinding krijgt en wat de mogelijkheden zijn.

 

‘Er is geen nevenbevinding gevonden.’

Als er in de uitslag niets staat over nevenbevindingen, dan betekent dit dat er ook geen nevenbevindingen zijn gevonden.

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >
longontsteking-kinderen-symptomen-behandeling

In Nederland krijgen elk jaar gemiddeld 25.000 kinderen een longontsteking. Vaak is die na een week of twee wel genezen, maar het kan ook maanden duren voordat een kind weer de oude is.

'Op tijd behandelen voorkomt erger', zegt Michael Rutgers, directeur van het Longfonds. In onderstaande antwoorden lees je hoe.

 

Wat is een longontsteking? 

Longontsteking is een ontsteking van de longen door een virus of bacterie en komt bij kinderen redelijk vaak voor. De kans om het te krijgen is het grootst bij baby's jonger dan één jaar, omdat hun afweer nog in ontwikkeling is. Zowel één als beide longen kunnen ontstoken zijn: wanneer beide longen ontstoken zijn, spreek je van een dubbele longontsteking.

 

Wat is de oorzaak? 

Meestal een virus of bacterie. Een gewone griep of verkoudheid, bijvoorbeeld. Tegenwoordig worden kinderen op het consultatiebureau ingeënt voor de pneumokokken bacterie. Hierdoor is de kans op een longontsteking door deze bacterie veel kleiner geworden. Wel heeft je kind meer kans op een longontsteking als hij een afweerstoornis, cystic fibrosis, PCD, een ontwikkelingsachterstand of last van spierzwakte heeft.

Oh, en dat je ziek kunt worden van kou is trouwens een fabel: virussen en bacteriën zijn altijd actief, of het nu warm of koud is, maar in de wintermaanden zitten we veel meer binnen (met ramen gesloten) en dichter op elkaar. De kans dat virussen aan elkaar worden overdragen, is daardoor groter.

 

Lees ook
VIDEO: dit is het verschil tussen griep en verkoudheid >

 

Wat zijn de symptomen? 

Eigenlijk krijgen kinderen vergelijkbare klachten als bij griep, maar dan een tikkie heftiger. Een paar voorbeelden: benauwd, kortademig, ophoesten van slijm (soms met wat bloed), moe, rillen en koorts.

 

Hoe behandel je een longontsteking?

Vermoed je dat je kind een longontsteking heeft, neem dan contact op met de huisarts. In de meeste gevallen schrijft hij of zij dan een antibioticakuur voor. Althans, als de oorzaak een bacteriële infectie is. Aan een virale infectie kan de huisarts weinig doen en dan is het een kwestie van uitzieken. Bij koorts of pijn mag je doorgaans gerust een pijnstiller geven.

Zijn de klachten na drie dagen antibiotica nog niet minder of wordt je kind steeds zieker? Bel dan de huisarts nog een keer. Bij een ernstige longontsteking wordt een kind opgenomen in het ziekenhuis. Daar krijgt-ie een hogere dosis antibiotica toegediend via pillen of een infuus.

 

Wat kun je zelf doen?

De kuur afmaken, je kind goed laten uitrusten én veel laten drinken: voor baby's tot zes maanden geldt ongeveer 150 ml per kilo lichaamsgewicht per dag, borstvoeding kan op verzoek. Baby's van zes maanden en ouder hebben per dag ongeveer 100 ml nodig per kilo lichaamsgewicht. Kinderen vanaf één jaar zes tot zeven bekertjes per dag van ongeveer 75 ml. Gaat drinken moeizaam? Probeer eens thee zonder suiker, diksap of dunne pap - dan krijgen ze toch het nodige vocht binnen.

 

Bron: Longfonds

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >