mama wordt opgenomen zelfmoordpoging
Beeld: Shutterstock

Vier jaar geleden deed Danique (29), moeder van Mike (10) en Nola (6) een zelfmoordpoging. “Elke dag was een gevecht.”

“Als ik door het dorp loop, weet iedereen die ik tegenkom wat ik heb gedaan. Ik merk dat er over me wordt gekletst, op het schoolplein, bij de bakker. Toch loop ik met opgeheven hoofd over straat. Laatst sprak een moeder van school me aan, ze bekende dat ze vroeger altijd heel negatief over me dacht en zei dat ze het zo knap vond om te zien hoe ik het had gered. Ik wist niet wat ik hoorde, zo fijn.

More content below the advertising

Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het eerst zelfmoordgedachten had. Mijn leven lang al, vrees ik. Ik dacht altijd dat de dood heerlijk zou zijn, lekker rustig. Ik heb zelfs weleens overwogen een strafbaar feit te plegen, zodat ik in de gevangenis tot rust kon komen. Ik hoopte dat ik dan uit zou kunnen vinden waarom ik zo deed en dacht, want ik wist wel dat het niet klopte. Ik was altijd anders dan andere kinderen. Mijn vader verliet ons toen ik drie was, ik ontwikkelde enorme verlatingsangst en had vaak bonje op school. Toen ik groter werd, volgde het ene vriendje altijd het andere op. Testen wezen uit dat ik ADHD en borderline heb.
 

Ongepland zwanger

Op mijn achttiende werd ik ongepland zwanger, maar ik twijfelde niet of ik mijn kind zou houden. Mijn zoon was een extreme huilbaby. Dag en nacht was ik met hem bezig, hij sliep nooit langer dan een halfuur. Toen hij tweeënhalf was ging de relatie met zijn vader kapot, maar al snel had ik weer een nieuwe vriend, woonden we samen en was ik weer zwanger. Na de geboorte van mijn dochter stortte ik volledig in. Zij was een wonderkind, deed alles volgens het boekje. Ze huilde amper en sliep door.

Met mijn zoon ging het inmiddels ook wat beter, maar met mij niet. Ik raakte in een depressie, kwam amper mijn bed uit. Ik kon niet meer voor de kinderen zorgen en wilde dat ook niet. Ik heb ze nooit iets aangedaan, maar werd wel agressief tegenover mijn vriend. Ook die relatie liep op de klippen.

De kinderen waren lief en deden niets verkeerd, toch kon ik ze niet om me heen verdragen. Soms kon ik het al niet meer aan als ik wakker werd, dan belde ik mijn moeder of ze de kinderen kon komen halen. ‘Het wordt weer niets vandaag’, zei ik dan. Mijn moeder zag me afglijden en maakte zich zorgen. Ik reageerde kortaf en onaardig, er kon geen dankjewel vanaf. Ik weet zeker dat ze me dat kwalijk heeft genomen – en terecht – maar toch bleef ze voor mij en de kinderen klaarstaan.
 

'Dacht ik meteen weer: zie je wel'

Uit alle macht probeerde ik een goede moeder te zijn, maar ik was het niet. Ik lag altijd in bed, omdat ik moe was of hoofdpijn had. En als ik wel mijn bed uit kwam, sloeg ik op de vlucht. Gewoon thuis zijn, een beetje spelen en eten – ik kon het niet. Ik wilde niet alleen zijn met de kinderen, dan vloog de verantwoordelijkheid me aan. Ik voelde aan alle kanten dat het niet goed ging, maar ik liet niemand toe. Dag en nacht werd ik beheerst door negatieve gedachten. Stond ik een keer pannenkoeken te bakken, dacht ik meteen weer: zie je wel dat je een slechte moeder bent, je kookt niet eens fatsoenlijk.

Toen ik voelde dat ik het leven niet meer aankon, liet ik me vrijwillig in een ggz-instelling opnemen. Mijn moeder, mijn exen en hun moeders vingen de kinderen op. Ik moest zes weken lang vol aan de bak met therapie. Ondertussen voelde ik me schuldig. De kinderen waren nog maar vijf en twee. Ik had verteld dat ik heel moe was en een paar weken ging uitrusten. Voor zover ik me herinner stelden ze mij geen vragen. In mijn beleving vonden ze het bij hun oma’s fijner dan bij mij.
 

Lees ook
Esther werd na haar bevalling opgenomen op een psychiatrische afdeling >

 

Alles zwart of wit

Vol goede moed ging ik naar huis, maar eigenlijk ging het snel mis. De onrust in mijn hoofd was niet te doen. De kinderen zag ik in die tijd amper, die waren bij hun vader of oma’s. Alles was zwart of wit, een tussenweg was er niet. Ik sloeg helemaal door. Ik woonde tegenover een kroeg en was daar nachtenlang te vinden. Ik verslonsde mezelf en mijn huis, om daarna juist weer obsessief schoon te gaan maken. Nu weet ik dat ik niemand durfde te vertellen hoe ellendig ik me voelde.

Na nog een crisisopname van zes weken werd me verteld dat ik was uitbehandeld. De therapeuten konden niets meer voor me doen, omdat ik weigerde mee te werken. Het was voor mij op dat moment beter geweest als iemand vanuit de instelling had gezegd: ‘Nu ga je zitten en gaan we het erover hebben.’ Maar ik hoorde alleen dat ze niets met mij konden. Ik dacht: zie je wel, alles wat ik over mezelf denk is waar. Ik ben een slechte moeder, geen leuke vrouw, vriendin en dochter en het ergste is dat dit is wie ik ben en ik kan er niet aan worden geholpen. Dat was de druppel.
 

Afscheid

De gedachte om echt uit het leven te stappen speelde al weken door mijn hoofd. Afscheidsbrieven heb ik niet gemaakt, alles wat ik kwijt wilde stond in mijn dagboek dat ik vrij trouw bijhield. In een speciaal gouden schriftje noteerde ik details over mijn uitvaart.

Huilend schreef ik alles op, ik zag helemaal voor me hoe het zou moeten gaan. Ik wilde graag gecremeerd worden in een witte kist waar de kinderen met vingerverf hun handjes op hadden achtergelaten. Ook de muziek had ik al uitgekozen, Ain’t no sunshine van Bill Withers moest worden gedraaid. Hoe het verder zou moeten met de kinderen, schreef ik niet op. Het vangnet was goed, dat wist ik.
 

'Het is genoeg'

Elke dag zag ik als een gevecht. Heel af en toe zat er een goed moment tussen. De dag voor mijn poging was prachtig, ik heb samen met mijn zoon staan dansen in de regen. Op mijn laatste avond was hij bij me. Hij was zes, we hebben gekletst, geknuffeld en selfies gemaakt. Hij mocht extra lang opblijven van mij, pas laat legde ik hem in bed. Heel rustig en relaxed. Het was goed, ik was er klaar voor.

Ik heb geen idee hoe ik zelf die nacht heb geslapen, maar de volgende ochtend voelde ik me slecht. Ik wilde niet dat mijn zoon me zo zag, dus vroeg mijn ex om hem te komen halen. Die reageerde boos, maar kwam wel toen ik vertelde dat ik het niet veilig voor hem vond om bij me te zijn. Ik voelde me zo beroerd dat ik niet eens bewust afscheid heb genomen. Ik heb hem naar de auto gebracht en toen ik compleet overstuur terugliep naar de voordeur zag ik de overburen bezorgd voor het raam staan. Binnen heb ik alle medicijnen gepakt die ik in huis had. Binnen tien minuten had ik driehonderd pillen naar binnen gewerkt, handenvol tegelijk met een paar glazen water.

Eindelijk rust, was het enige wat ik dacht. Ik heb geen seconde getwijfeld, was ervan overtuigd dat iedereen om me heen beter af was zonder mij. Ergens wilde ik wel dat iemand wist wat ik had gedaan. Dus stuurde ik een goede vriend een appje met de tekst: ‘Het is genoeg’. En ik schreef waar mijn gouden schriftje lag. Daarna ben ik naar boven gelopen. Mijn hele lijf trilde toen ik op bed ging liggen. Dit gaat lukken, dacht ik nog. Wat zou hierna komen? En toen zakte ik weg.
 

112

Ik werd wakker van herrie in huis. Die goede vriend had meteen 112 gebeld, de politie had de voordeur ingetrapt en voor ik het wist zaten er twee ambulancebroeders op mijn bed die vroegen wat ik had ingenomen. Die broeders waren ontzettend lief voor me, tussen hen in ben ik naar de ambulance gebracht. De overburen stonden weer voor het raam. Ik besefte dat het niet gelukt was en dat vond ik op dat moment heel erg. Vanaf toen werd alles zwart.
 

'Ik leefde nog en moest er wat van gaan maken'

Achteraf heb ik veel nagedacht over mijn appje. Was mijn poging dan toch een schreeuw om aandacht? Ik heb er nog steeds geen antwoord op. Op dat moment wilde ik echt dood. Misschien wilde ik vooral iemand waarschuwen voor wat hij zou aantreffen in mijn huis. Op de intensive care kwam ik weer een beetje bij. Ik had mijn ogen nog niet open of een arts zei: ‘Als je dertig pillen meer had ingenomen, was het je wel gelukt.’ Heftig om te horen, maar de boodschap was duidelijk. Ik leefde nog en moest er wat van gaan maken. Ik had direct spijt van wat ik de mensen om me heen had aangedaan.

Ondertussen was de politie naar mijn moeder gereden, zij stond in tranen naast mijn bed. ‘Hoe kun je dit doen,’ vroeg ze me. ‘Je hebt twee kinderen.’ Ze had gelijk, natuurlijk had ze gelijk. Ik voelde me zo schuldig. Na twee dagen werd ik overgebracht naar de psychiatrische afdeling (PAAZ) van het ziekenhuis en pas toen zag ik de kinderen weer. Ik weet dat ze bij me zijn geweest, dat we knuffelden en kletsten. Veel ging langs me heen. Ik ben er nog niet over uit of ik ze ooit ga vertellen waarom ik in het ziekenhuis lag. Nu vind ik ze er nog veel te klein voor.

Twee weken later werd ik voor negen maanden opgenomen in een expertisecentrum voor persoonlijkheidsproblematiek. De kinderen hingen hun tekeningen in mijn kamer en pakten mijn koffer uit. Dit keer voelde ik me minder schuldig. Ik moest dit doen om mijn leven op de rit te krijgen. Zij werden weer opgevangen door hun vertrouwde clubje. Ik was weg en alleen met mezelf bezig, 24 uur per dag was ik aan het oefenen hoe ik me eigenlijk wilde gedragen. Heel langzaam ging het beter.
 

Al mijn geluk op één plaatje

Op dit moment kan ik het leven weer aan. Soms vind ik de dood nog wel aanlokkelijk, wat zou die rust lekker zijn. Maar dan weet ik dat ik moet zorgen dat ik die negatieve gedachte uit mijn hoofd krijg. Sinds twee jaar heb ik een nieuwe liefde, langzaamaan herstel ik de band met mijn kinderen. In mijn woonkamer staat een foto waarop ze samen staan te springen op het strand. Al mijn geluk op één plaatje.

Ik zie ze allebei een dag in de week en om het weekend. Het liefst zou ik ze elke dag zien, maar voor hen is dit nu stabiel en dat is het belangrijkst. Stel dat ik een terugval krijg? Vroeger had ik nooit de rust om samen een spelletje te spelen. Nu wel: we bakken koekjes, gaan naar de speeltuin of ze spelen gewoon lekker thuis. Een deel van hun leven heb ik gemist omdat ik zo met mezelf bezig was, nu kan ik pas echt hun moeder zijn.”
 

113 Zelfmoordpreventie
Heb je zelf hulp nodig, of denk je weleens over zelfmoord, dan is er een speciaal telefoonnummer waarop hulpverleners te bereiken zijn. Dat kan 24 uur per dag via de website van 113 Zelfmoordpreventie of via telefoonnummer 0900-0113.

 

Dit artikel staat in Kek Mama 13-2018.

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >