smetvrees
Beeld: Unsplash

Speelpaleizen, zandbakken, hondenpoepparken. Joan zou het liefst hele dagen hysterisch achter haar zoon aanrennen met desinfecterende doekjes.

Hij herhaalt het als een mantra: “Geen muren aanraken, wc-deksel met de voet omhoog brengen, zo snel mogelijk weer naar buiten lopen, vijftien tellen handen wassen, zeep goed over de hand en tussen de vingers wrijven, afdrogen met een papieren handdoekje, insmeren met Dettol.”

Nee, dit is niet het protocol Hoe om te gaan met een Besmettelijke Ziekte of Nazorg na een Riskante Operatie, maar de instructies die mijn zevenjarige zoon meekrijgt als hij moet plassen in een openbare wc. Ik ben namelijk nogal vies uitgevallen en hysterisch als het gaat om bacteriën.
 

Cijfers en onderzoeken

Cijfers en onderzoeken over hygiëne vreet ik alsof het bonbons zijn. Hoor ik dat er meer poepbacteriën op de leuning van een roltrap zitten dan op een willekeurige wc-bril, dan betekent het dat ik vanaf dat moment wiebelend op roltrappen sta. Ook al loop ik dan meer kans op een dwarslaesie dan een infectie, het idee dat ik niet word besmet is buitengewoon prettig. Lees ik dat ieder jaar twee miljoen Nederlanders worden geveld door een voedselinfectie, waarvan de helft gewoon thuis wordt opgelopen en dan met name in de keuken, dan tel ik na elke geschilde aardappel keurig tot vijftien, terwijl ik bijkans mijn handen verbrand onder de kraan.
 

Vieze vaatdoekjes

Je kunt rustig stellen dat ik aan smetvrees lijd. Zelf vind ik het nogal meevallen, mijn vriend denkt daar anders over. Ik zal de details besparen van de ruzies die we hier in huis hebben om vaatdoekjes. Mijn vriend kan prima leven met een microvezeldoekje waarmee al een week placemats en gasfornuis worden gereinigd, evenals modderschoenen. Ik niet. Na één middagje gooi ik ze weg, waarop vriendlief ze uit de pedaalemmer vist om ze in de wasmachine te stoppen. En ja, daar krijgen wij dan woorden om.
 

Eerste hulp bij onreinheid

Je struikelt hier in huis ook over de desinfecterende middelen. In alle jaszakken, handtassen, toilettassen en boodschappenshoppers tref je flesjes antibacteriële gel aan. Vindt mijn vriend onzinnig, maar het is mijn eerste hulp bij onreinheid. Ik koop ze per dozijn in. Helemaal sinds ik moeder ben.

Na de geboorte van mijn zoon was ik geschokt door de hoeveelheid mensen die doodleuk met hun in mijn ogen smerige handen aan mijn snoezige baby zaten. Als ik achter de kinderwagen liep en iemand op hem afdook, kreeg ik moordneigingen. Niet omdat ik bang was dat ze mijn kind iets zouden aandoen, ik geloof echt dat ze met de beste bedoelingen zijn hoofdje wilden aaien of over zijn buikje kroelen. Maar omdat zeventig procent van de mensen zijn handen níet met water en zeep wast na wc-bezoek, kon ik het risico niet nemen dat die zeventig procent mijn brandschone baby wilde knuffelen. En dus gilde ik bij voorbaat al dat er alleen naar hem gekeken mocht worden.
 

En dan die ballenbak...

En dan de eerste keer in de ballenbak. Need I say more? Ik had geen idee in welke hel ik belandde, toen een jaar oude Callum door mijn schoonzus werd uitgenodigd voor een ochtend spelen. Vonden mijn neefjes van twee en drie ook zo leuk. Ik dacht dat het iets Nijntje-achtigs was of zo, maar werd acuut misselijk toen ik al die kleverige, besnottebelde en bekwijlde plastic ballen zag waartussen mijn dreumes enthousiast sprong. Terwijl hij kraaide van plezier en dol van vreugde ballen aflebberde, zat ik te bedenken hoe ik deze week vrij kon plannen qua werk. Ik vermoedde een aanval  van griep, of minstens flinke buikloop, zodra we het pand zouden hebben verlaten.

Natuurlijk gebeurde dat niet. Niet in de laatste plaats omdat Callum al vanaf acht weken oud drie dagen per week naar een kinderdagverblijf ging, waar altijd wel een paar snotterige kinderen rondkruipen. Maar dat scheen dan weer zo fantastisch voor zijn weerstand te zijn. Een kind moet immers antistoffen op kunnen bouwen.
 

Lees ook
Poep, luizen, kots en snot. 'Getver, wat zijn kinderen vies' >

 

Hysterische moeder met een flesje alcohol

En natúúrlijk moet mijn kind zich kunnen uitleven in speelpaleizen en kinderparadijzen zonder een hysterische moeder die achter hem aanrent met een flesje alcohol. Maar het blijft een opgave mijn mysofobie – de angst voor vuil en bacteriën – los te laten. Op publieke verschoningstafels legde ik mijn eigen opblaasmatje neer of een hydrofelluier die ik daarna weggooide (die openbare commodes schijnen echt vol ziektekiemen te zitten).

Kinderstoeltafeltjes in restaurants maakte ik eerst schoon met desinfecterende doekjes. Zandbakken waren verboden terrein wegens  kattendrollengevaar. Pierenbadjes screende ik op de aanwezigheid van uitwerpselen van andere kinderen. En dan nog bleef ik Callum manen vooral geen water door te slikken en niet in zijn ogen te wrijven. Met zwemles droeg hij als enige waterschoentjes, zogenaamd tegen uitglijgevaar, maar in werkelijkheid omdat ik zwemmerseczeem vreesde. En vriendjes die vroegen of ik hun billen wilde komen afvegen, verwees ik kokhalzend door naar Callum: ‘Ga hem eens helpen!’
 

Hygiënemantra’s

Nu hij ouder wordt, zijn een aantal gevaren gelukkig voorbij. De kans dat hij van kattendrollen een kasteel bouwt of een slok uit een vreemde tuitbeker neemt, is vrijwel uitgesloten. Maar het hele wc-gebeuren blijft een nachtmerrie. Openbare toiletten mijd ik zo veel mogelijk. Bij voorkeur laat ik Callum tegen een boom plassen. Eventuele wildplasboetes neem ik op de koop toe.

Vliegen vind ik vanwege de smerige kleine wc’s een crime. Callum wil het jammer genoeg niet meer, want al zeven, maar god wat waren die luiers toch handig. Elk jaar gaan we in februari naar Canada, een vlucht van tien uur. Na een uur ruikt zo’n chemisch toilet al smeriger dan een Amsterdams urinoir. Ik probeer mijn plas uit alle macht op te houden, mijn zoon lukt dat niet. Ik heb hem toen hij vijf was nog om kunnen kopen met een Playmobilauto, maar het jaar erop weigerde hij toch echt een luierbroekje te dragen. Met als gevolg dat ik hem nu volstop met hygiënemantra’s en hem na afloop ontsmet met Dettol. Eén keer was ik uitgerekend tijdens de vlucht naar Vancouver mijn flesje antibacteriële gel vergeten. Gelukkig voldeed de wodka uit de minibar van de stewardess ook.
 

Overdraagbare fobieën

Inmiddels heb ik Callum ook lichtelijk besmet. Zo werkt dat namelijk bij fobieën, je draagt ze heel makkelijk over. Zelf heb ik het ook niet van een vreemde. Mijn moeder en oma gaven mij als kind uitgebreide verhandelingen over alle beestjes op tramstoelen/bushokjes/treintafels/liftknoppen en vreemde wc’s. Het liefst liet mijn moeder mij tot ver in april wanten dragen, want dat scheelde vieze handjes.

Callum vraagt standaard een servetje als hij een boterham/koekje/kroket eet. Hij houdt niet van een vette mond, en ook niet van vette vingers. Kwestie van gewenning denk ik. In zijn babyboeken ontbreken foto’s waarop hij met een oranjerood gezicht pasta met tomatensaus eet. Ook de kijk-eens-hoegrappig-Callum-onder-de-uitgespuugde-spinazie-zit-foto, komt er niet in voor. Die bestaan simpelweg niet. Ik heb hem altijd gevoerd, de snoetenpoetsers veilig naast me om na elke hap zijn gezicht af te vegen. Sowieso droeg hij steevast een groot plastic schort bedoeld om kleding te beschermen tegen vingervervende en kleiende handjes. Dat hing bij ons toch werkeloos in de kast, want Callum is geen knutselaar.

Toen ze bij het consultatiebureau vroegen of hij weleens kleide, sprak hij de historische woorden: “Nee, ik klei niet, want dan krijg ik vieze handjes.” Helaas konden zij daar niet echt om lachen, want kleien en verven en plakken met plakstiften en glitters schijnt goed te zijn voor de fijne motoriek. En essentieel in de opvoeding van een kind. Ik heb dat later maar gecompenseerd door vele dozen lego te kopen. Ook goed voor de motoriek, maar een stuk schoner.
 

Broodnuchtere vriendin

Naast een aantal gelijkgestemden met wie ik naar hartenlust kan gruwen over ballenbakfobieën en ander bacterieel leed, heb ik ook een broodnuchtere vriendin die niet terugdeinst voor een paar nagels met rouwranden en wier kinderen wel heel veel in zandbakken spelen, maar gek genoeg nooit ziek zijn.

Zij vindt mijn hang naar schoon overdreven en neemt Callum af en toe mee naar een boerencamping. Daar verruilt ze zijn maagdelijke kleding voor een overall en kaplaarzen en spoort ze hem aan vooral heel smerig te worden. Ondertussen stuurt ze mij vals foto’s van een zand etend kind dat moddergevechten houdt en vergeet dat hij vieze handen goor vindt.
 

'Het zal hem worst wezen'

En gelukkig is daar nog altijd mijn vriend die best wil aannemen dat er een hoop ziektekiemen vrijkomen bij het ravotten, maar zich er weinig van aantrekt. Beter gezegd: het zal hem worst wezen. Zijn adagium is niet voor niets: het kan nooit vies genoeg zijn. Hij is de man die uitgebreid met mijn zoon gaat voetballen in het park. En me pas ’s avonds vertelt dat Callum in de hondenpoep is getrapt, maar dat ze dat echt heel goed hebben schoongemaakt met een paar stokjes (terwijl ik meteen afscheid had genomen van de schoen). Ach, soms is het bij smetvrees ook maar beter als je niet alles weet.
 

Dit artikel staat in Kek Mama 02-2018 en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

minder clubjes
Beeld: Unsplash

De hele week zie je moeders verwilderd rondrijden van gitaarles naar toneel, van voetbaltraining naar ballet. Alsof ze potdorie niks beters te doen hebben. “Mag het alsjeblieft een clubje minder?”

Nee, ik kan niet met je afspreken op woensdagmiddag. Op woensdag ben ik namelijk taxichauffeur. Zodra de lunch achter de kiezen is, bevind ik me in de auto. Volgeladen met mijn kinderen – en vaak met een handvol andere. Nauwkeurig leg ik de te rijden route af en bij elk clubje worden mijn kinderen met open armen ontvangen: “Wat fijn dat je er weer bent!” (Geen woord voor de chauffeur, die niet alleen zorgt dat die kinderen er zijn, maar ook nog eens al die clubjes betaalt.)

Een middag lang rijd ik door de stad. Voorzichtig, zonder overtredingen en zorgvuldig alle knel- en knooppunten vermijdend, zoals een goede chauffeur betaamt. Zo’n taxirit is logistiek een hele uitdaging. Het ene kind moet naar de tennisbaan, nummer twee tien minuten later bij de gitaarleraar afgezet aan de andere kant van de stad. Dan de hele goegemeente in omgekeerde volgorde ophalen en bij respectievelijk voetbal en dansen afzetten. Om daarna een kind alvast naar huis te brengen en met de ander nog even door te rijden naar de pianojuf.
 

Resoluut

Kan het niet een clubje minder, zegt u nu. Ja, dat vraag ik mezelf ook weleens af. Maar mijn kinderen vinden alles zo leuk. En ik vind het dan weer leuk dat zij dat zo leuk vinden. Laat er een psych op los en die zal ongetwijfeld het gemis aan al deze geneugten in mijn eigen jeugd naar voren schuiven. Ik heb een heerlijke kindertijd gehad, maar mijn moeder was wat clubjes betrof redelijk resoluut. Eén sport is genoeg.
 

Eigen schuld

Ik zou haar advies ter harte moeten nemen. Want hoewel ik het belangrijk vind dat mijn kinderen plezier hebben, zit ik niet bepaald op dit taxibaantje te wachten. En dan moet je weten dat ik niet alleen woensdagmiddag chauffeur ben, maar ook maandagmiddag en zaterdagochtend. Mijn eigen schuld. Ik zeg immers ja op het moment dat een nieuw clubje zich aandient en een van mijn kinderen met smekende ogen voor me staat. Terwijl ik heel goed weet dat een nieuwe bezigheid in de praktijk betekent dat ze moeten worden gebracht en gehaald. En toch geef ik toe. Omdat ze er zo veel plezier in hebben, omdat het goed voor ze is, omdat ze er veel van leren. Zij blij, ik blij. Tot het moment van halen en brengen zich aandient. Zit ik wéér in die auto.
 

Sociale bezigheid

Wat ook meespeelt, is dat al hun vriendjes eveneens op die clubjes zitten. Een vraag of ze een nieuwe sport mogen beoefenen of op een of andere knutselcursus mogen eindigt steevast met de mededeling dat Pietje, Kees en Truus het ook doen. Waardoor het naast een sportieve en creatieve uiting ook nog eens een sociaal gebeuren is. En wie ben ik dan om mijn kinderen daar niet aan te laten deelnemen? Komt bij dat ik in een stad woon met een zeer groot verenigingsgebeuren. Noem een sport of bezigheid en er zit hier een club aan vast. Die onderling alle trainings- en wedstrijddagen op elkaar lijken te hebben afgestemd. Een nieuwe vis in de vijver? Alles schuift en verschuift en hup, weer een gat waar getraind of bijeengekomen kan worden.
 

Lees ook
Sara's editorial: clubjes >

 

Zelf dingen ondernemen

Vriendin K. geeft minder makkelijk toe. Ze heeft twee jongens en een drukke baan. Haar vrije woensdagmiddag heeft ze nodig om ook een beetje aan zichzelf toe te komen. Haar kinderen doen dus niks. Nou ja, niks, ze vermaken zich prima. “Kinderen moeten al zoveel, hoe heerlijk is het als je een hele lange middag voor je hebt waarin je kunt doen wat je wilt?” Volgens haar zorgt het hebben van niet al te veel verplichtingen ervoor dat haar kinderen gestimuleerd worden zelf dingen te ondernemen. Dingen die niet voor hen zijn bedacht in de vorm van hockey, tennis, timmeren, of toneelles, maar die ze zelf bedenken.
 

Langs de lijn staan

Ze maakt zich geen zorgen of haar kinderen buiten de groep vallen. “Ze hebben vriendjes genoeg. Juist omdat mijn kinderen bijna altijd kunnen afspreken.” Ook de sociale druk om langs de lijn te staan voelt ze niet. Ik zelf sta – niet altijd met evenveel zin, want meestal op onmogelijke tijden – best vaak naar de sportprestaties van mijn kinderen te kijken. Diep in mijn hart zou ik graag eens een zaterdagochtend met een pot koffie en een stapel weekendkranten willen doorbrengen. Maar de druk om langs die lijn te gaan staan is groot. Ouders rekenen elkaar daar nogal eens op af.

De zoon van K. mocht uiteindelijk op voetbal. Voor hij zijn voetbalschoenen kreeg, legde ze hem uit dat ze niet elke week langs het voetbalveld zou staan. Iets wat door andere ouders van het team niet bepaald op prijs werd gesteld. Er wordt van je verwacht dat je bij elke prestatie van je kind aanwezig bent, of dat nu een wedstrijd, voorstelling of slechts een training is. K. voelde die keren dat ze wel kwam kijken de messteken in haar rug. “Mensen zeggen niet dat ze het stom vinden dat ik er bijna nooit ben, maar ik hoor het ze denken. In heel kleine dingen voel ik dat, een vals bijzinnetje bijvoorbeeld of het feit dat er altijd tegen me wordt gezegd dat ik zo hard werk en wel moe zal zijn.”
 

Kan-mijn-kind-meerijden

Vriendin A. heeft drie kinderen. Die allemaal minimaal twee sporten doen, een instrument bespelen en ook nog op creatieve clubjes zitten. Ze heeft haar werk zo ingericht dat ze elke dag om drie uur beschikbaar is als taxichauffeur. In tegenstelling tot K. staat A. altijd op het sportveld en zit vooraan bij elke uitvoering van haar kinderen. Last van messteken heeft zij niet, wel van de kan-mijn-kind-met-jou-meerijden-want-jij-gaat-toch-al-verzoeken. “Ze weten dat ik rij en dan is een kind of twee extra meenemen geen probleem.”
 

Eén clubje minder, graag

Mijn zoon deed in zijn hoogtijdagen drie sporten en zat ook nog op drumles. Mijn dochter deed twee sporten, zat op streetdance, musicalles en volgde een workshop tekenen. Eén clubje minder, stelde ik mijn kinderen voor. Ze schrapten ieder een clubje van hun lijst. Ze kozen, zal je net zien, de clubjes die op steenworp afstand van elkaar te vinden zijn: judo en musicalles.

Gelukkig maakt nood uiterst creatief. Ik kon overal naar toe blijven rijden, maar zoiets als gitaarles kon eigenlijk gewoon bij ons thuis. En naar tennisles kon best met het groepje vriendinnen gefietst worden. Met mijn man sprak ik af dat het ook goed is als maar een van ons bij een wedstrijd of uitvoering is. En zo ontstond er toch wat lucht. Bovendien luister ik met terugwerkende kracht naar het advies van mijn moeder. Laatst wilde mijn zoon op een verdedigingssport, een half uur rijden van ons huis. Ik gaf hem twee opties: hij kon iets zoeken op fietsafstand óf wachten tot hij achttien was en zelf zijn rijbewijs op zak had.
 

Dit artikel staat in Kek Mama magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

De juf
Beeld: Getty

Een leerkracht vertelt aan Kek Mama wat ze meemaakt. Deze keer: de overleden vader van leerling Clarissa (6).

Maandagmiddag, twee jaar geleden. De kinderen zijn naar huis en ik drink thee met collega’s. We lachen net om een voorval op het schoolplein als de conciërge binnenkomt en zegt dat Suzan me wil spreken. Ze is de moeder van mijn leerlingetje Clarissa (6). Suzan is in tranen.

Geschrokken neem ik haar mee naar een rustige kamer. Daar vertelt ze dat Clarissa’s vader de avond tevoren een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Het wordt wazig om me heen. Niet flauwvallen, denk ik. Ik zie Rob voor me, een vriendelijke, vrolijke man met lieve bruine ogen.
 

Pas twee jaar voor de klas

Ik ben 23 en sta pas twee jaar voor de klas. Suzan en Rob zijn minstens tien jaar ouder dan ik. Ik heb de dood nog nooit van nabij meegemaakt, op het bekende konijn en de goudvis na. Suzan vertelt tussen het snikken door wat er is gebeurd. Hoe depressief Rob de laatste tijd was, hoe ze een lief briefje op tafel vond, hoe ze hem heeft aangetroffen.

Ze kijkt me met wijd opengesperde ogen aan. “Hoe moet ik dit aan Clarissa vertellen?”, vraagt ze. ‘Ze weet nog van niets, ze speelt bij een vriendinnetje.” Ik kijk sprakeloos terug. Geen idee wat ik moet zeggen. Ik dreig in tranen uit te barsten als Jonathan, onze directeur, binnenkomt. Hij is gewaarschuwd door een opmerkzame collega die het gevoel heeft dat er iets helemaal mis is. Na een blik op mij vraagt Jonathan of ik thee voor ons drieën wil halen.
 

Rouwen in ladekastjes

De volgende dagen heb ik het gevoel dat ik stage loop in rouwtherapie. Ik leer dat kinderen rouwen in ladekastjes – de laatjes gaan dicht als het te veel wordt. Suzan vertelt me dat Clarissa erg huilde toen ze het nieuws hoorde, maar daarna al vrij snel vroeg of ze appelsap mocht. Na drie dagen brengt Suzan haar naar school. Ze heeft een schoenendoos bij zich die is versierd met wolkjes. Clarissa’s klasgenootjes mogen er een tekening in doen.

Rob wordt begraven op een tropisch warme dag. De hele school is aanwezig, het wordt bijna gezellig. Mensen lachen als zijn hondje op de kist springt.
 

Lees ook
Juf Julia en de overleden moeder van Mylou >

 

Dieren die misschien in de hemel zijn

Volgens Jonathan zal Clarissa zelf aangeven wat ze nodig heeft. De eerste weken wil ze vooral spelen. Maar op een dag komt ze bij me staan en zegt: “Mijn papa is dood. Ik denk dat hij in de hemel is. Zijn er vogels in de hemel?” Aarzelend zeg ik dat het goed zou kunnen. En dat ze misschien een tekening kan maken over vogels.

De volgende weken praten we op gezette tijden over welke dieren er in de hemel zouden kunnen zijn. Hamsters, hertjes, eenden, dinosaurussen? Ze tekent ze allemaal. Haar vriendinnen doen mee. Er komt een hele serie over ‘dieren die misschien in de hemel zijn’.
 

Twee jaar later

We zijn nu twee jaar verder. Het gaat goed met Clarissa. Ze zit niet meer in mijn klas. Toch komt ze af en toe met me praten over de dieren in de hemel. Ook in mijn nieuwe klas maken we een serie over dieren in de hemel. Een paar maanden geleden stierf de moeder van een van mijn leerlingen aan kanker. Ik merk dat ik het jongetje kan steunen met mijn ervaringen met Clarissa. Daardoor weet ik nu dat ook de afschuwelijkste gebeurtenissen lichtpuntjes kennen. Door de dood van Rob ben ik in één keer volwassen geworden als leerkracht.
 

Dit artikel staat in Kek Mama Magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >