Sta jij ieder weekend met een beker koffie langs een koud voetbalveld? Of zit je wekelijks op een houten bankje te kijken hoe je kind turnt, hockeyt of voor de zoveelste keer dezelfde judoworp oefent? Goed nieuws: al die trainingen kunnen je kind méér opleveren dan alleen een betere conditie.
Lees verder onder de advertentie
Sporten draait namelijk niet alleen om doelpunten, medailles of als eerste over de finish komen. Kinderen kunnen namelijk tijdens het sporten vaardigheden ontwikkelen waar ze ook als volwassene nog iets aan hebben. Van omgaan met verlies tot gewoon komen opdagen als je eigenlijk geen zin hebt. En nee, daarvoor hoeft je kind echt niet de nieuwe Femke Bol te worden.
Lees verder onder de advertentie
1. Ze leren dat opgeven niet meteen hoeft
Doelpunt gemist. Wedstrijd verloren. Tijdens de training lukte werkelijk níéts. Voor een kind kan dat behoorlijk balen zijn. Maar de week erna staat er gewoon weer een training op het programma. Door te sporten kunnen kinderen ervaren dat één slechte wedstrijd niet betekent dat ze ergens slecht in zijn. Soms lukt iets pas na tien, twintig of honderd pogingen. Een les die later ook handig is als een opleiding, baan of ander doel even niet zo soepel loopt.
Lees verder onder de advertentie
2. Ze ontdekken hoe samenwerken werkt
Je kunt nog zo goed kunnen voetballen, maar zonder teamgenoten wordt een wedstrijd behoorlijk ingewikkeld. Zeker bij teamsporten oefenen kinderen met overleggen, rekening houden met anderen en verantwoordelijkheid delen. Ze ontdekken bovendien dat niet iedereen hetzelfde hoeft te kunnen om belangrijk te zijn voor een team. En zeg nou zelf: leren dat niet altijd alles om jou draait, komt buiten het sportveld ook best van pas.
Lees verder onder de advertentie
3. Ze oefenen met doorzetten als ze geen zin hebben
Iedere ouder met een sportend kind kent waarschijnlijk deze klassieker: vijf minuten voordat je weg moet, wordt ineens aangekondigd dat hij vandaag écht niet naar training wil. Want moe. Regen. Geen zin. Of allemaal tegelijk. Toch hoort bij een sport vaak dat je regelmatig oefent. Daardoor kunnen kinderen leren dat je soms iets moet doen waar je op dat moment niet om staat te springen om uiteindelijk beter te worden.
Lees verder onder de advertentie
Die discipline kan later ook op heel andere momenten van pas komen. Bijvoorbeeld bij studeren, werken of eindelijk die ene administratieve klus afmaken die al drie weken op je wacht.
4. Ze leren omgaan met feedback
“Je moet je voet anders neerzetten.” Of “Probeer de volgende keer eerder over te spelen.” Een trainer of coach vertelt regelmatig wat beter kan. Dat is niet altijd leuk om te horen, maar kinderen kunnen daardoor wel leren dat feedback niet automatisch betekent dat ze iets slecht doen.
Met goede begeleiding ontdekken ze dat een opmerking juist kan helpen om ergens beter in te worden.
Best een fijne vaardigheid voor later, wanneer een docent, collega of leidinggevende óók weleens iets vindt van hoe je iets hebt aangepakt.
Eindelijk zonder zijwieltjes fietsen is al een overwinning, maar binnen een sport volgen die doelen elkaar vaak snel op. Een zwemdiploma halen. Die moeilijke turnbeweging kunnen. Een snellere tijd neerzetten. Of eindelijk dat eerste doelpunt maken.
Kinderen ervaren zo dat een groot doel meestal uit een heleboel kleine stapjes bestaat. Je hoeft iets niet meteen perfect te kunnen. Oefenen, bijstellen en opnieuw proberen hoort erbij.
6. Ze merken dat anderen op ze rekenen
Geen zin in de wedstrijd? Je teamgenoten rekenen er misschien wél op dat je komt. Sport kan kinderen daardoor iets leren over afspraken nakomen en verantwoordelijkheid nemen. Je bent onderdeel van een team en jouw aanwezigheid doet ertoe.
Later kan dat zich vertalen naar andere situaties: doen wat je hebt beloofd, op tijd komen en er zijn voor mensen die op je rekenen. Al blijft het natuurlijk de vraag of die les ook geldt voor het op tijd in de wasmand gooien van het sporttenue.
7. Ze leren omgaan met spanning
Een wedstrijd spelen terwijl ouders langs de lijn kijken, een penalty moeten nemen of als laatste de turnvloer op: sporten kan behoorlijk spannend zijn. Door zulke momenten vaker mee te maken, kunnen kinderen leren omgaan met zenuwen en druk. Even ademhalen, concentreren en tóch beginnen.
Tekst gaat verder onder de podcast
Dat betekent natuurlijk niet dat ze later nooit meer stress hebben. Wel hebben ze al kunnen ervaren dat spanning erbij kan horen én dat je ondanks die zenuwen verder kunt.
Plezier blijft het belangrijkst
Betekent dit dat je je kind linea recta moet inschrijven voor voetbal, hockey en tennis? Nee. Niet ieder kind houdt van sport en deze eigenschappen kunnen kinderen natuurlijk ook op allerlei andere manieren ontwikkelen. Bovendien kan te veel druk van ouders juist averechts werken. Sportpsychologen waarschuwden eerder dat overmatige bemoeienis en prestatiedruk het plezier van kinderen in sporten kunnen verminderen.
Lees verder onder de advertentie
Dus: aanmoedigen? Prima. Vanaf de zijlijn aanwijzingen schreeuwen alsof de Champions League-finale ervan afhangt? Misschien iets minder.
Wat als jij het liefst ieder weekend langs de lijn staat, maar je kind bij het woord ‘sport’ al diep begint te zuchten? Deze moeder besloot haar kinderen juist níét te pushen om op een sport te gaan. Waarom, lees je hier.
Een zwangerschap terwijl je huwelijk net is stukgelopen, zet alles op zijn kop. Als vervolgens blijkt dat je niet één, maar drie baby’s verwacht, wordt die nieuwe werkelijkheid nog veel groter. Kim maakte het mee en werd midden in haar scheiding moeder van een eeneiige meisjesdrieling.
Wendy is trotse mama van een dochter (16) en een zoon (9). Hun gezinsleven is een heerlijke, soms chaotische mix van liefde en mooie momenten. Die deelt ze graag, ook de uitdagingen die op ons pad komen. Je volgt ons op Instagram.
Je vraagt je kind om zijn kamer op te ruimen en een halfuur later is er… precies niets gebeurd. Behalve dat er inmiddels nóg meer Lego op de vloer ligt. Herkenbaar? Misschien kun je de sterren de schuld geven.
Een buur helpen als ze een keer omhoogzit met de opvang? Natuurlijk. Maar bij Babette lijkt haar behulpzaamheid inmiddels iets te vanzelfsprekend te zijn geworden. Ze heeft zelf een dochter van zes, maar krijgt op maandag regelmatig twee extra kinderen over de vloer. Zonder dat haar buurvrouw eerst vraagt of dat eigenlijk wel uitkomt.
“Waar zijn de kinderen eigenlijk?” Een vraag waarbij veel ouders tegenwoordig acuut hun telefoon zouden pakken. In de jaren zeventig en tachtig was het antwoord regelmatig: ergens buiten. Geen gps-horloge, geen WhatsApp en al helemaal geen ouder die iedere twintig minuten informeerde of alles nog goed ging. Als je maar thuis was voor het eten.