Beeld: 123RF
Beeld: 123RF

We geven onze kinderen een smartphone omdat we dat een veilig idee vinden. En tegelijkertijd laten we ze los in de jungle van internet, die we zelf nauwelijks kennen.

Mijn dochter was negen toen ze midden in de ochtendchaos aan mijn mouw trok. Ik stond met zes trommels, drie gymtassen en een sponsorloopformulier in mijn handen iedereen naar buiten te bonjouren, maar zag dat het haar ernst was en ging met haar zitten. Ze vertelde wat ze op haar lever had: twee weken eerder was ze bij een vriendinnetje. Mijn dochter had niet in de gaten dat het meisje met haar iPhone een filmpje van haar maakte terwijl ze maf stond te dansen. Zelf heeft ze geen mobieltje.

De vriendin liet het filmpje van veraf zien, mijn dochter schaamde zich en riep: “Nee, verwijderen!”, waarop het meisje het met één druk op de knop verstuurde. “Wat doe jij nou?”, vroeg mijn dochter. “Ik heb ’m aan de groepsapp van de klas verstuurd”, antwoordde de vriendin lachend, terwijl de reacties al binnenstroomden. Twee weken had mijn dochter ermee rondgelopen; eerst omdat ze niet moeilijk wilde doen, later omdat ze bang was dat ik de moeder van het meisje zou bellen.

 

Gebruik van een smartphone

Het lijkt een onschuldig voorval, maar ik zag mezelf geconfronteerd met twee wezenlijke vragen: op welk moment en op welke manier moet ik mijn kinderen opvoeden in het gebruik van een smartphone en hoe ga ik om met ouders die er andere of geen gedachten over hebben? Ik realiseerde me hoe offensief zo’n gesprek zou zijn, mocht het ooit plaatsvinden. “Ja, hallo. Klopt het dat jouw dochter van negen al een smartphone heeft? Realiseer je je dat ze in allerlei groepsapps zit? Heb je haar uitgelegd hoe ze daarmee om moet gaan? Heb je besproken dat ze toestemming moet vragen om andermans beeltenis te gebruiken? Hou je in de gaten wat ze online uitspookt en of er gepest wordt?”

 

Geen poes intypen

Ik ben niet zo’n schuimbekkend type en bovendien waren het vragen die ik mezelf nog niet eens had gesteld. Natuurlijk, door de jaren en het baren heen was er binnenshuis wel een soort schermbeleid ontstaan (kom nooit aan je moeders computer of telefoon als je je jeugd met tien vingers wilt afsluiten, geen spelletjes installeren zonder toestemming en geen ‘poes’ intypen bij Google), maar over mobiel gebruik – laat staan appjes versturen of sociale media – had ik nog geen gesprek met ze gevoerd. Waarschijnlijk omdat ik had besloten dat mijn kinderen sowieso geen mobieltje krijgen voor ze naar de middelbare school gaan.

Ik zie in hun omgeving steeds meer vriendjes en vriendinnetjes vanaf groep vijf, zes met een smartphone. Maar dat zegt wellicht niks, want ik woon in de Randstad. Koop ik tijd door te verhuizen? Helaas. Uit het onderzoek Hey, what’s app? 8-18 jarigen en mobiele telefoons, gehouden door Mijn Kind Online in 2012, bleek dat kinderen in heel Nederland op steeds jongere leeftijd een eigen telefoon krijgen, en steeds vaker met internet. Ruim een kwart van de achtjarigen, de helft van de tienjarigen en bijna honderd procent van de twaalfjarigen heeft er een.

 

Snoeppot

Ik praat erover met Remco Pijpers, expert Jeugd en Media en vader van drie kinderen. “Mijn vrouw en ik hanteren een redelijk strikt beleid. De kinderen krijgen pas een telefoon als ze naar de brugklas gaan. De fascinatie van kinderen met technologie is zo groot – het is te vergelijken met een snoeppot neerzetten en verwachten dat ze zich niet ziek zullen eten.”

De cijfers ondersteunen zijn verhaal. Tegen de tijd dat kinderen dertien zijn, versturen ze ruim honderd whatsappjes per week. Dat loopt uiteindelijk op tot zo’n vijfhonderd. En dan hebben we het nog niet eens over overig internetgebruik.

 

Altijd bereikbaar

Opvallend: bij jonge kinderen gaat het meestal om contact met hun moeder, en dat strookt met de door ouders vaak genoemde reden om een mobiele telefoon voor hun zoon of dochter te kopen: dan kun je je kind bereiken als het buiten speelt, naar school gaat, op weg is naar een clubje. Dat blijkt ook als ik er met andere ouders over praat. Als ik vraag waarom hun kind een smartphone heeft, reageert het merendeel schouderophalend met: “Waarom niet?” Alsof daar weinig soul searching aan vooraf is gegaan. Als ik doorvraag is bijna altijd de reden: bezorgdheid. Een mobiele lifeline als doorgetrokken navelstreng.

 

Lekke band

Maar biedt die telefoon geen schijnveiligheid, met bovendien een hele reeks bijwerkingen? Mijn uitgangspunt is: zolang ik ze te jong vind om bepaalde dingen te doen – alleen fietsen, zonder toezicht naar het zwembad – ga ik mee. Zijn ze op een leeftijd waarop ze de verantwoordelijkheid aankunnen, dan geef ik ze ook echt de vrijheid het zelf te doen. Lekke band? Bel maar ergens aan of loop naar huis. Niet op de voetbalclub aangekomen? Ik ga ervan uit dat de trainer het opmerkt. Ware zelfredzaamheid creëer je niet met een telefoon; integendeel.

 

Lego en gayporn

Uit Engels onderzoek blijkt dat de fysieke draaicirkel van kinderen in een paar generaties tijd extreem veel kleiner is geworden. Mocht een achtjarige in 1919 nog gemiddeld tot tien kilometer van huis rondzwerven, in 1958 was dat anderhalve kilometer en tegenwoordig nog maar 275 meter. In de stad heeft een kind anno 2015 vier vierkante meter speelruimte tot zijn beschikking. Uit angst voor allerlei – grotendeels ingebeelde – gevaren in de buitenwereld geven we onze kinderen toegang tot een andere, oneindig grote wereld die wij zelf amper kennen. En dat met weinig tot geen toezicht, uitleg of regels. Dat leidt tot absurde situaties.

Kinderen die via de app van alles over en tegen elkaar zeggen, zonder in het echte leven een confrontatie durven aan te gaan. Vrijuit foto’s en filmpjes verspreiden zonder ooit een gesprek over privacy te hebben gevoerd (als ze al weten wat het woord betekent). Mijn destijds zevenjarige zoon die bij het oppasadres van een vriendje tussen het Lego-en door keiharde gayporn had zitten kijken. Ouders die om negen uur hun kind in bed leggen, zonder te weten dat het tot in de late uurtjes op virtuele wereldreis is. Doorgeslagen controle in het echte leven versus doorgeslagen vrijheid online.

 

Zoenen achter het fietsenhok

We doen het niet bewust, we gaan gewoon uit van ons eigen referentiekader. Op die leeftijd waren wij bezig met poezieplaatjes ruilen, fikkies stoken en zoenen achter het fietsenhok. Online zijn betekent voor ons niet meer dan de babyfoto’s van een collega liken, suffe updates op LinkedIn lezen, googelen (en misschien heel soms, en dan nog per ongeluk, langs Pornhub surfen). Je smartphone gebruik je om te bellen, als parkeermeter of flitsmelder. Op whatsapp zit je in een paar keuvelgroepen met oude vrienden, ouders of sportmaatjes.

Ondertussen hebben we geen idee wat onze kinderen online of op hun telefoon uitspoken, omdat we geen ervaring hebben om op terug te vallen – een belangrijk uitgangspunt van opvoeden. Nu wisten mijn ouders ook niet welke streken ik allemaal uithaalde, dat is nu juist het belang van vrijheid en zelfontplooiing. Maar ze kenden wél de wereld waarin ik die grenzen opzocht en stelden het kader vast: waar, wanneer, met wie en hoe. Zeker voordat ik naar de middelbare school ging.

 

Digitale ruggengraat

Dat is misschien wel het wezenlijke verschil met de wereld die een smartphone ontsluit: we weten niet naar welke uithoeken ervan de kinderverbeelding leidt en stellen daardoor geen enkele of slechts een vage grens. Remco Pijpers: “Lang hebben we geloofd dat kinderen vanzelf wel wijs werden op het gebied van smartphones, internet en technologie. Maar dat is een fabel: recent onderzoek wijst uit dat je digitale ruggengraat niet vanzelf aangroeit, daarbij moet een kind geholpen worden. Hoe digitaal geletterd kinderen zijn, hangt vooral van de thuissituatie af. De school heeft daar nauwelijks invloed op. Dat betekent nogal wat: kinderen van hoger opgeleide ouders ontwikkelen zich nog sneller, kinderen waar thuis niks gebeurt, staan stil.”

Zoals de seksuele revolutie het belang van voorlichting thuis en op school op de kaart zette, vraagt de digitale revolutie nu eenzelfde omslag. Deze voorlichting moet alleen op nóg jongere leeftijd beginnen, ook omdat je niet weet hoe elders het toezicht is – mijn zoon hoef ik bijvoorbeeld al niet meer uit te leggen hoe mannen sex hebben.

 

It takes a village

Ik ben niet van mening veranderd over het bezit van een telefoon op de basisschool. Integendeel, ik ben gesterkt in het feit dat mijn drie kinderen eerst en vooral de kans moeten krijgen weerbaar te worden in het echte leven. Kans om zichzelf en hun omgeving te leren kennen zonder in hun eentje in die andere, gigantische, virtuele wereld af te dalen. Kans om te ervaren hoe groepsdynamiek werkt, zonder nu al in groepsapps of op sociale media te zitten.

Aan de andere kant ga ik ze bewust méér fysieke vrijheid geven. Met goede afspraken, zonder de schijnveiligheid van een telefoon. In de tussentijd maak ik ze wegwijs in de digitale wereld, zodat ze de talrijke mogelijkheden zien én de ruggengraat kweken er zinnig mee om te gaan. Ouders in mijn omgeving geef ik een kopietje van dit artikel zodat we het gesprek kunnen aangaan, want dit is geen onderwerp om te laten liggen tot onze kinderen naar de middelbare school gaan. Daarbij kunnen we denken ‘ieder voor zich’, of proberen betrokken te zijn bij elkaars kinderen.

Zeker als we ze wat meer vrijheid geven, is het fijn te weten dat andere ouders meekijken en niet als uitgangspunt hebben: dat kind belt zijn vader of moeder maar. Want ondanks al die vooruitgang blijft het Afrikaanse gezegde waar: It takes a village to raise a child. Niet een telefoon.
 

Dit artikel staat in Kek Mama 12-2015.


 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

fotoserie-breken-genderregels

Dat meisjes veel meer doen dan haren vlechten en met poppen spelen, bewijst deze krachtige fotoserie van Huffington Post. Hokjesdenken: wat is dat? Gewoon doen waar je zin in hebt en aantrekken wat je mooi vindt.

Want ook vrouwen kunnen president worden...

 

...of skateboarder

 

...of schermer.

 

Lees ook
Dit meisje vindt gendernormen maar stom >

 

Vissen vangen? Kunnen dochters ook prima.

 

Net zo goed als dat jongens ballerina's mogen dragen...

 

...of meisjes graag motorrijden.

 

Ook meisjes kunnen sportieve dromen hebben...

 

...net zoals zij

 

...en zij.

 

En een meisje op de maan? Wie weet.

 

Eerst maar oefenen met een Lego-raket...

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

Ionica Smeets checkt

Ionica Smeets (38) is wiskundige en moeder van Tex (7) en Rifka (2). In Kek Mama checkt ze de zin en onzin van opvoedfabels en -feiten: hoef jij dat niet meer te doen.

Soms flap ik het hele verhaal er ineens weer uit. Zoals laatst toen een lieve leidster op het kinderdagverblijf vrolijk vroeg of we nog een derde kindje zouden willen. Ineens hoorde ik mezelf ratelen over hoe het allemaal kantje boord was geweest bij Tex. Hoe ik met een zwangerschapsvergiftiging in het ziekenhuis belandde en het niet lukte de bevalling op gang te krijgen. Hoe ik steeds verder wegzakte. En hoe uiteindelijk iemand uit een operatiekamer is geduwd, zodat Tex en ik met een spoedkeizersnede gered konden worden.
 

Bang

Het duurde jaren voor ik durfde te denken aan een tweede kind. De eerste jaren was ik op Tex’ verjaardag altijd wat verdrietig omdat ik terugdacht aan de angst en pijn bij zijn geboorte. Pas toen hij vier werd, was zijn verjaardag voor het eerst alleen maar een feestelijke dag.

Die verjaardag zat inmiddels ook Rifka in mijn buik. Na lang twijfelen durfden we het toch nog een keer te proberen. Met extra veel controles in het ziekenhuis en medicijnen om een zwangerschapsvergiftiging te voorkomen. Ik was zo bang dat het desondanks mis zou gaan. Ik begon pas aan de babykamer toen ik 28 weken zwanger was, omdat vanaf dat moment de overlevingskans van de baby boven de 95 procent lag. Het voelde als een groot cadeau toen Rifka een paar maanden later gezond in haar wiegje lag.
 

Cijfers om stil van te worden

In Nederland worden jaarlijks tussen de 160.000 en 210.000 kinderen geboren. En toch blijft het me verbazen hoeveel zwangerschappen er nog mislopen in deze moderne tijd: vorig jaar 881. Het zijn cijfers om stil van te worden.

Gelukkig dalen die cijfers langzaam maar zeker. Te vroeg geboren kindjes krijgen steeds betere zorg en we weten ook steeds meer over wat we kunnen doen om dood-geboorte te voorkomen. Eind vorig jaar verscheen bijvoorbeeld een Britse studie waaruit bleek dat bij moeders die op hun rug insliepen doodgeboorte twee keer zo vaak voorkwam als bij moeders die op hun linkerzij gingen slapen. Volgens de cijfers van dit onderzoek zou rugslapen in Nederland jaarlijks bij veertien doodgeboren kinderen een rol spelen.

Deze studie bewijst niet dat op je rug slapen de oorzaak is van doodgeboorte, maar het is een kleine moeite om zwangere moeders te adviseren op hun linkerzij in te slapen. De meeste zwangere vrouwen geven aan dat ze best een andere inslaappositie kunnen aanleren als dat nodig is. Overigens hoeven zwangere vrouwen die op hun zij gaan slapen niet te schrikken als ze ’s nachts op hun rug wakker worden, het blijkt vooral te gaan om de positie waarin je in slaap valt. En het blijft natuurlijk een heel kleine kans dat het misgaat als op je rug. Bij de meeste vrouwen die op hun rug slapen gaat het gewoon goed.
 

Zegeningen

Terug naar dat derde kindje. In mijn hoofd weet ik dat de risico’s klein zijn, maar ik durf het toch niet aan. Ik tel mijn zegeningen en ben dolgelukkig dat we nu met z’n vieren zijn.

 

 

Als je ook iets gecheckt wilt hebben: mail ionicacheckt@kekmama.nl


Dit artikel staat in Kek Mama 02-2018.


 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >