Beeld: Getty
Beeld: Getty

We geven onze kinderen een smartphone omdat we dat een veilig idee vinden. En tegelijkertijd laten we ze los in de jungle van internet, die we zelf nauwelijks kennen.

Mijn dochter was negen toen ze midden in de ochtendchaos aan mijn mouw trok. Ik stond met zes trommels, drie gymtassen en een sponsorloopformulier in mijn handen iedereen naar buiten te bonjouren, maar zag dat het haar ernst was en ging met haar zitten. Ze vertelde wat ze op haar lever had: twee weken eerder was ze bij een vriendinnetje. Mijn dochter had niet in de gaten dat het meisje met haar iPhone een filmpje van haar maakte terwijl ze maf stond te dansen. Zelf heeft ze geen mobieltje. De vriendin liet het filmpje van veraf zien, mijn dochter schaamde zich en riep: “Nee, verwijderen!”, waarop het meisje het met één druk op de knop verstuurde. “Wat doe jij nou?”, vroeg mijn dochter. “Ik heb ’m aan de groepsapp van de klas verstuurd”, antwoordde de vriendin lachend, terwijl de reacties al binnenstroomden. Twee weken had mijn dochter ermee rondgelopen; eerst omdat ze niet moeilijk wilde doen, later omdat ze bang was dat ik de moeder van het meisje zou bellen.

 

Gebruik van een smartphone

Het lijkt een onschuldig voorval, maar ik zag mezelf geconfronteerd met twee wezenlijke vragen: op welk moment en op welke manier moet ik mijn kinderen opvoeden in het gebruik van een smartphone en hoe ga ik om met ouders die er andere of geen gedachten over hebben? Ik realiseerde me hoe offensief zo’n gesprek zou zijn, mocht het ooit plaatsvinden. “Ja, hallo. Klopt het dat jouw dochter van negen al een smartphone heeft? Realiseer je je dat ze in allerlei groepsapps zit? Heb je haar uitgelegd hoe ze daarmee om moet gaan? Heb je besproken dat ze toestemming moet vragen om andermans beeltenis te gebruiken? Hou je in de gaten wat ze online uitspookt en of er gepest wordt?”

 

Geen poes intypen

Ik ben niet zo’n schuimbekkend type en bovendien waren het vragen die ik mezelf nog niet eens had gesteld. Natuurlijk, door de jaren en het baren heen was er binnenshuis wel een soort schermbeleid ontstaan (kom nooit aan je moeders computer of telefoon als je je jeugd met tien vingers wilt afsluiten, geen spelletjes installeren zonder toestemming en geen ‘poes’ intypen bij Google), maar over mobiel gebruik – laat staan appjes versturen of sociale media – had ik nog geen gesprek met ze gevoerd. Waarschijnlijk omdat ik had besloten dat mijn kinderen sowieso geen mobieltje krijgen voor ze naar de middelbare school gaan. Ik zie in hun omgeving steeds meer vriendjes en vriendinnetjes vanaf groep vijf, zes met een smartphone. Maar dat zegt wellicht niks, want ik woon in de Randstad. Koop ik tijd door te verhuizen? Helaas. Uit het onderzoek Hey, what’s app? 8-18 jarigen en mobiele telefoons, gehouden door Mijn Kind Online in 2012, bleek dat kinderen in heel Nederland op steeds jongere leeftijd een eigen telefoon krijgen, en steeds vaker met internet. Ruim een kwart van de achtjarigen, de helft van de tienjarigen en bijna honderd procent van de twaalfjarigen heeft er een.

 

Snoeppot

Ik praat erover met Remco Pijpers, expert Jeugd en Media en vader van drie kinderen. “Mijn vrouw en ik hanteren een redelijk strikt beleid. De kinderen krijgen pas een telefoon als ze naar de brugklas gaan. De fascinatie van kinderen met technologie is zo groot – het is te vergelijken met een snoeppot neerzetten en verwachten dat ze zich niet ziek zullen eten.”

De cijfers ondersteunen zijn verhaal. Tegen de tijd dat kinderen dertien zijn, versturen ze ruim honderd whatsappjes per week. Dat loopt uiteindelijk op tot zo’n vijfhonderd. En dan hebben we het nog niet eens over overig internetgebruik.

 

Altijd bereikbaar

Opvallend: bij jonge kinderen gaat het meestal om contact met hun moeder, en dat strookt met de door ouders vaak genoemde reden om een mobiele telefoon voor hun zoon of dochter te kopen: dan kun je je kind bereiken als het buiten speelt, naar school gaat, op weg is naar een clubje. Dat blijkt ook als ik er met andere ouders over praat. Als ik vraag waarom hun kind een smartphone heeft, reageert het merendeel schouderophalend met: “Waarom niet?” Alsof daar weinig soul searching aan vooraf is gegaan. Als ik doorvraag is bijna altijd de reden: bezorgdheid. Een mobiele lifeline als doorgetrokken navelstreng.

 

Lekke band

Maar biedt die telefoon geen schijnveiligheid, met bovendien een hele reeks bijwerkingen? Mijn uitgangspunt is: zolang ik ze te jong vind om bepaalde dingen te doen – alleen fietsen, zonder toezicht naar het zwembad – ga ik mee. Zijn ze op een leeftijd waarop ze de verantwoordelijkheid aankunnen, dan geef ik ze ook echt de vrijheid het zelf te doen. Lekke band? Bel maar ergens aan of loop naar huis. Niet op de voetbalclub aangekomen? Ik ga ervan uit dat de trainer het opmerkt. Ware zelfredzaamheid creëer je niet met een telefoon; integendeel.

 

Lego en gayporn

Uit Engels onderzoek blijkt dat de fysieke draaicirkel van kinderen in een paar generaties tijd extreem veel kleiner is geworden. Mocht een achtjarige in 1919 nog gemiddeld tot tien kilometer van huis rondzwerven, in 1958 was dat anderhalve kilometer en tegenwoordig nog maar 275 meter. In de stad heeft een kind anno 2015 vier vierkante meter speelruimte tot zijn beschikking. Uit angst voor allerlei – grotendeels ingebeelde – gevaren in de buitenwereld geven we onze kinderen toegang tot een andere, oneindig grote wereld die wij zelf amper kennen. En dat met weinig tot geen toezicht, uitleg of regels. Dat leidt tot absurde situaties. Kinderen die via de app van alles over en tegen elkaar zeggen, zonder in het echte leven een confrontatie durven aan te gaan. Vrijuit foto’s en filmpjes verspreiden zonder ooit een gesprek over privacy te hebben gevoerd (als ze al weten wat het woord betekent). Mijn destijds zevenjarige zoon die bij het oppasadres van een vriendje tussen het Lego-en door keiharde gayporn had zitten kijken. Ouders die om negen uur hun kind in bed leggen, zonder te weten dat het tot in de late uurtjes op virtuele wereldreis is. Doorgeslagen controle in het echte leven versus doorgeslagen vrijheid online.

 

Zoenen achter het fietsenhok

We doen het niet bewust, we gaan gewoon uit van ons eigen referentiekader. Op die leeftijd waren wij bezig met poezieplaatjes ruilen, fikkies stoken en zoenen achter het fietsenhok. Online zijn betekent voor ons niet meer dan de babyfoto’s van een collega liken, suffe updates op LinkedIn lezen, googelen (en misschien heel soms, en dan nog per ongeluk, langs Pornhub surfen). Je smartphone gebruik je om te bellen, als parkeermeter of flitsmelder. Op whatsapp zit je in een paar keuvelgroepen met oude vrienden, ouders of sportmaatjes. Ondertussen hebben we geen idee wat onze kinderen online of op hun telefoon uitspoken, omdat we geen ervaring hebben om op terug te vallen – een belangrijk uitgangspunt van opvoeden. Nu wisten mijn ouders ook niet welke streken ik allemaal uithaalde, dat is nu juist het belang van vrijheid en zelfontplooiing. Maar ze kenden wél de wereld waarin ik die grenzen opzocht en stelden het kader vast: waar, wanneer, met wie en hoe. Zeker voordat ik naar de middelbare school ging.

 

Digitale ruggengraat

Dat is misschien wel het wezenlijke verschil met de wereld die een smartphone ontsluit: we weten niet naar welke uithoeken ervan de kinderverbeelding leidt en stellen daardoor geen enkele of slechts een vage grens. Remco Pijpers: “Lang hebben we geloofd dat kinderen vanzelf wel wijs werden op het gebied van smartphones, internet en technologie. Maar dat is een fabel: recent onderzoek wijst uit dat je digitale ruggengraat niet vanzelf aangroeit, daarbij moet een kind geholpen worden. Hoe digitaal geletterd kinderen zijn, hangt vooral van de thuissituatie af. De school heeft daar nauwelijks invloed op. Dat betekent nogal wat: kinderen van hoger opgeleide ouders ontwikkelen zich nog sneller, kinderen waar thuis niks gebeurt, staan stil.”

Zoals de seksuele revolutie het belang van voorlichting thuis en op school op de kaart zette, vraagt de digitale revolutie nu eenzelfde omslag. Deze voorlichting moet alleen op nóg jongere leeftijd beginnen, ook omdat je niet weet hoe elders het toezicht is – mijn zoon hoef ik bijvoorbeeld al niet meer uit te leggen hoe mannen sex hebben.

 

It takes a village

Ik ben niet van mening veranderd over het bezit van een telefoon op de basisschool. Integendeel, ik ben gesterkt in het feit dat mijn drie kinderen eerst en vooral de kans moeten krijgen weerbaar te worden in het echte leven. Kans om zichzelf en hun omgeving te leren kennen zonder in hun eentje in die andere, gigantische, virtuele wereld af te dalen. Kans om te ervaren hoe groepsdynamiek werkt, zonder nu al in groepsapps of op sociale media te zitten. Aan de andere kant ga ik ze bewust méér fysieke vrijheid geven. Met goede afspraken, zonder de schijnveiligheid van een telefoon. In de tussentijd maak ik ze wegwijs in de digitale wereld, zodat ze de talrijke mogelijkheden zien én de ruggengraat kweken er zinnig mee om te gaan. Ouders in mijn omgeving geef ik een kopietje van dit artikel zodat we het gesprek kunnen aangaan, want dit is geen onderwerp om te laten liggen tot onze kinderen naar de middelbare school gaan. Daarbij kunnen we denken ‘ieder voor zich’, of proberen betrokken te zijn bij elkaars kinderen.

Zeker als we ze wat meer vrijheid geven, is het fijn te weten dat andere ouders meekijken en niet als uitgangspunt hebben: dat kind belt zijn vader of moeder maar. Want ondanks al die vooruitgang blijft het Afrikaanse gezegde waar: It takes a village to raise a child. Niet een telefoon.

 

Dit artikel staat in Kek Mama 12-2015.

In samenwerking met Kek Mama