co-sleeping

Lepeltjelepeltje liggen lijkt voorgoed voorbij nu er altijd een kind tussen jullie in ligt. “Ach, bij Dirk Zeelenberg liggen ze met z’n vijven in één bed.”

De verkoper keek nogal vreemd op dat toen ze een Cars-bed voor de driejarige Milan kochten, papa het bedje grondig uittestte en vervolgens een van de duurste Tempur-matrassen uitkoos. Lilian: “Tja, uit ervaring wisten we dat vooral Arno het bed zou gaan gebruiken. Bij Anne onze oudste, hadden we nog een goedkoop ding gekocht, maar daar kreeg Arno zo’n pijn van in zijn rug. We wilden deze keer een goed matras, zeker nu nummer twee zijn plek heeft gevonden in het ouderlijk bed.”

 

Geen gebroken nachten

Sinds Lilian (38) en Arno (39) kinderen hebben, slapen ze nog maar zelden samen. Lilian: “Het begon met de geboorte van Anne. Ik gaf om de drie uur borstvoeding en dan was het wel zo handig dat de baby bleef liggen. Arno verhuisde naar de logeerkamer, zodat hij geen gebroken nachten zou hebben. Dat bleef zo, ook toen onze dochter al lang geen borstvoeding meer kreeg. Toen Anne oud genoeg was voor een peuterbed, accepteerde ze niet dat zij alléén moest slapen, terwijl papa en mama samen in een bed lagen. We stopten haar keurig in haar eigen bed, maar ’s nachts kroop ze tussen ons in. Of ze deed alle lichten aan en schreeuwde: ‘Hallóóó, ik wil spelen!’ Na drie keer met een hartslag van honderdtachtig wakker te zijn geworden, besloten we haar ’s avonds maar meteen in ons bed te leggen.”

 

Papa in het Cars-bed

Inmiddels liggen Milan, Anne en Lilian (plus Elsa, Woezel, Nijntje, Elmo en Aap) standaard in het tweepersoonsbed en ligt Arno in het Cars-bed. Lilian vindt het stiekem best gezellig, die kinderlijfjes tegen zich aan. “Natuurlijk is een man in bed ook fijn, maar er gaat niets boven wakker worden en die lieve gezichtjes zien.”

Arno kan de situatie minder waarderen. Ondanks het geinige Cars-bed met het dure matras. Hij mist zijn vrouw in bed. Het lepeltjelepeltje liggen, het nog even kletsen voor het slapengaan, de spontane seks. Er wordt heel wat over gekibbeld en af en toe doen Lilian en Arno verwoede pogingen in ieder geval de oudste in haar eigen kamer te krijgen. “Soms proberen we het met een matrasje naast ons bed. Of ik ga op Annes bed liggen en Anne op een matrasje ernaast. De ene keer slaap ik de hele nacht op haar kamer, de volgende keer vertrek ik zodra ze indommelt. Het is in ieder geval een hoop gesleep met matrassen, dekbedden en kussens.”

Lilian schaamt zich er niet voor dat de kinderen voorrang hebben in het grote bed. “Als ik op een verjaardag vertel dat onze kinderen nog steeds bij ons in bed slapen, krijg ik altijd bijval. Opmerkelijk veel ouders geven toe dat hun kind ook bij hen slaapt, omdat het makkelijk en gezellig is of meer nachtrust oplevert. We hoeven immers nooit voor een huiltje of pijntje het bed uit.”

 

Regelmatig ruzie

Harde cijfers in Nederland over co-sleeping bestaan niet, maar in Engeland blijkt uit een enquête onder drieduizend ouders dat maar liefst veertig procent regelmatig het bed deelt met hun kroost. Bijna honderd procent daarvan stelt dat hun relatie daaronder lijdt. Een kwart heeft er regelmatig ruzie over en tien procent van de mannen voelt zich afgewezen omdat ze naar de kinderkamer zijn verbannen.

David (33), vader van Jasmijn (4), kan zich er alles bij voorstellen. “Het zou te boud zijn te beweren dat Annette en ik zijn gescheiden omdat we niet meer in één bed sliepen, maar het was wel zo dat er altijd een kind in het echtelijk bed lag – en er maar bitter weinig romantiek en intimiteit tussen ons was.” Hij heeft achteraf spijt dat hij bij Annette niet steviger heeft aangedrongen op strengere slaaprituelen. “Jasmijn is altijd een slechte slaapster geweest. Ze was een huilbaby en kwam tot anderhalf jaar ’s nachts voor een fles. Mijn ex gaf altijd toe. Ook als ik voorzichtig opperde haar te laten huilen, zoals Supernanny adviseert. Dan steigerde Annette van verontwaardiging. Het idee alleen al, maakte haar boos.”

 

Bedrijfje in dienst van Jasmijn

Laten huilen was ook lastig. Dat zorgde sowieso voor slaapgebrek, want Jasmijns wieg stond op de slaapkamer van David en Annette. “Zij roemde de Afrikaanse culturen waar kinderen met al hun familieleden in één ruimte slapen en was tegen de westerse gewoonte om een kind al vanaf de geboorte op een eigen kamertje achter te laten. Ze riep ook altijd dat er geen dier ter wereld was dat zijn jong onder een andere boom liet slapen. Van haar mocht Jasmijn daarom bij ons in bed, net zolang als ze dat wilde. En daar maakte dat meisje flink gebruik van. Ze wilde met mama óf papa alleen in bed liggen en het liefst zo breed mogelijk of op een andere onmogelijke manier. Ook moesten we allebei mee naar bed tot zij echt in slaap was gevallen. Dat nam soms een halve avond in beslag. We waren net een bedrijfje in dienst van Jasmijn.

 

Nauwelijks seks

Begrijp me goed, ik ben stapelgek op mijn dochter en overdag krijgt ze van mij alle ruimte en aandacht. Maar na zeven, acht uur ’s avonds is het tijd voor de volwassenen. Dan wil ik met mijn vrouw kunnen praten of lekker tegen haar aankruipen. Van seks was nauwelijks nog sprake. Ons bed was te vol, als Jasmijn eindelijk sliep waren we bang haar te wekken en slopen we op onze tenen door het huis. Bovendien was Annette uitgeput door de gebroken nachten. Ze vond dat zelf geen punt, voor haar was het welzijn van Jasmijn het enige belangrijke. Ons kind moest zich geborgen voelen, ik zocht het maar uit.”

Nu David en Annette definitief uit elkaar zijn, is ook het slaapkamerprobleem opgelost. Annette en Jasmijn delen nog altijd het tweepersoonsbed. En als het meisje bij papa is, slaapt ze bij hem. David: “Maar dat is alleen in de twee weekenden per maand dat ze bij mij is. Dan vind ik het sneu haar uit mijn slaapkamer te verbannen. Dat wordt nog een heel probleem als ik een vriendin krijg, dat begrijp ik heus wel.”

Misschien een geruststellende gedachte: volgens de deskundigen zoeken de meeste kinderen rond hun tiende uit zichzelf hun eigen bed op. Hoewel dat niet voor Elvis Presley gold. Die sliep tot zijn veertiende gezellig bij moeder Gladys in bed.

 

Minimannetje in grote ledikant

Sommige mensen maken zich absoluut niet druk over het gezinsbed, zoals Saskia (41), moeder van Finn (9), Feline (8) en Benjamin (elf maanden): “Bij mijn oudste twee dacht ik nog: een kind hoort in zijn eigen bed. Bij hoge uitzondering – koorts, ziekte, angstdromen, monsters, vuurwerk – mochten ze bij ons in bed. En om de beurt als mijn man er een nachtje niet was. Mijn kinderen kenden de regels en maakten er geen probleem van. Maar toen kwam vorig jaar Benjamin, ons nakomelingetje, en veranderde ik ineens totaal van mening. Het was toch wel heel erg zielig, dat minimannetje in dat grote ledikant op zolder. Na drie nachten nam ik hem bij ons op de kamer. Mijn vriend sputterde nog tegen: straks gingen we nog bovenop hem liggen. Maar toen ik beloofde dat hij niet in maar naast ons bed zou slapen, kon hij het ook niet meer over zijn hart verkrijgen hem alleen op zolder te leggen.”

 

Enorm familiebed

Saskia en Gert-Jan kozen voor ‘co-sleeping’. Benjamin hangt met een speciale constructie in een wieg aan de rand van hun bed. “Hij gaat wel ’s avonds alleen naar bed en dat gaat goed. Hij sliep ook al met vier maanden helemaal door. Volgens mij doordat hij zich veilig voelt.” ’s Ochtends neemt Saskia hem na zijn eerste fles tussen hen in en in het weekend is het een dolle boel als alle kinderen in het grote bed ploffen om nog lekker met elkaar te cocoonen: “Ik zag laatst Chantal Janzen bij Dirk Zeelenberg thuis. Hij schijnt een enorm familiebed te hebben waarin hij met zijn vrouw en drie kinderen slaapt. Fantastisch lijkt me dat.”

Hun seksleven lijdt er volgens Saskia absoluut niet onder. “We doen het gewoon niet meer in het grote bed. Ook al is het mannetje nog maar elf maanden, het idee dat hij plotseling wakker kan worden vind ik niet prettig. Gelukkig kun je ook prima vrijen onder de douche, op de bank of op de keukentafel. Gert-Jan en ik voelen ons af en toe twee verliefde pubers die stiekem seks hebben. Wij hebben het tijdstip verschoven van de nacht naar de uren tussen zeven en elf ’s avonds. En dan kun je genoeg leuks beleven, kan ik je vertellen. Ik vind ons seksleven er zelfs beter op geworden.”

 

Dit artikel is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

nipt-zwangere-vrouwen

Door de NIPT kun je tijdens je zwangerschap zien hoe groot de kans is dat jouw baby het down-, edwards- of parausyndroom heeft. Maar hoe werkt zo'n test precies? Wanneer kun je 'm doen? En wordt-ie ook vergoed? Wij zochten het voor je uit. 

Want waar de test lange tijd alleen beschikbaar was voor zwangeren met een verhoogde kans op een kind met een chromosoomafwijking, mag sinds april 2017 iedere vrouw er gebruik van maken. Als je er behoefte aan hebt, dan. En als je betaalt, want vrijwillige deelname kost € 175 en wordt niet vergoed door de zorgverzekering.

 

DNA

NIPT betekent 'Niet-Invasieve Prenatale Test' en is een onderzoek dat bestaat uit het afnemen van een paar buisjes bloed. Hierin zit erfelijk materiaal (DNA) van de placenta dat bijna altijd hetzelfde is als dat van je kind. Zo kan het laboratorium dus, veilig én zonder het risico op een miskraam, onderzoeken of jouw baby het down-, edwards- of patausyndroom heeft. Wel goed om te weten: je kunt de test pas laten doen vanaf elf weken zwangerschap. 

 

Nevenbevindingen

Het laboratorium kan terwijl ze de NIPT uitvoeren ook zien of je kind andere (zeldzame) chromosoomafwijkingen heeft: die worden nevenbevindingen genoemd. Je mag zelf beslissen of je deze wilt weten en kunt dan ook kiezen uit twee mogelijkheden:

  1. Je wilt je kind alleen laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom. Het laboratorium weet dan ook niet of er nevenbevindingen zijn.
  2. Je wilt je kind laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom én je wil weten of het laboratorium nevenbevindingen heeft gevonden.

 

Lees ook
Extreme zwangerschapsmisselijkheid: ‘Zelfs een slokje water kwam er meteen weer uit’ >

 

Uitslagen

Na tien dagen krijg je de uitslag van je gynaecoloog of verloskundige. Als je ervoor hebt gekozen ook nevenbevindingen te willen horen en het laboratorium heeft deze gevonden, dan word je meestal gebeld door het Centrum voor Prenatale Diagnostiek of een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis. De uitslagen die je kunt krijgen zijn: 

 

‘U bent waarschijnlijk niet zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

Deze uitslag klopt bijna altijd: minder dan één op de duizend zwangere vrouwen blijkt achteraf toch zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom. Bij deze uitslag krijg je geen vervolgonderzoek.

 

‘U bent mogelijk zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

  • Bij 75 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met downsyndroom, klopt dat inderdaad; 25 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met downsyndroom.
  • Bij 24 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met edwardssyndroom, klopt dit inderdaad; 76 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met edwardssyndroom.
  • Bij 23 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met patausyndroom, klopt dit inderdaad; 77 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met patausyndroom.

Als je echt zekerheid wilt hebben, kun je alsnog een vlokkentest of vruchtwateronderzoek laten doen.

 

‘Er is een nevenbevinding gevonden.’

Je krijgt dan uitleg over wat precies er is gevonden en wat dit mogelijk voor jou en/of voor je kind betekent. Je krijgt hiervoor een uitnodiging voor een gesprek op een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis, waarin je meer informatie over de nevenbevinding krijgt en wat de mogelijkheden zijn.

 

‘Er is geen nevenbevinding gevonden.’

Als er in de uitslag niets staat over nevenbevindingen, dan betekent dit dat er ook geen nevenbevindingen zijn gevonden.

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >
longontsteking-kinderen-symptomen-behandeling

In Nederland krijgen elk jaar gemiddeld 25.000 kinderen een longontsteking. Vaak is die na een week of twee wel genezen, maar het kan ook maanden duren voordat een kind weer de oude is.

'Op tijd behandelen voorkomt erger', zegt Michael Rutgers, directeur van het Longfonds. In onderstaande antwoorden lees je hoe.

 

Wat is een longontsteking? 

Longontsteking is een ontsteking van de longen door een virus of bacterie en komt bij kinderen redelijk vaak voor. De kans om het te krijgen is het grootst bij baby's jonger dan één jaar, omdat hun afweer nog in ontwikkeling is. Zowel één als beide longen kunnen ontstoken zijn: wanneer beide longen ontstoken zijn, spreek je van een dubbele longontsteking.

 

Wat is de oorzaak? 

Meestal een virus of bacterie. Een gewone griep of verkoudheid, bijvoorbeeld. Tegenwoordig worden kinderen op het consultatiebureau ingeënt voor de pneumokokken bacterie. Hierdoor is de kans op een longontsteking door deze bacterie veel kleiner geworden. Wel heeft je kind meer kans op een longontsteking als hij een afweerstoornis, cystic fibrosis, PCD, een ontwikkelingsachterstand of last van spierzwakte heeft.

Oh, en dat je ziek kunt worden van kou is trouwens een fabel: virussen en bacteriën zijn altijd actief, of het nu warm of koud is, maar in de wintermaanden zitten we veel meer binnen (met ramen gesloten) en dichter op elkaar. De kans dat virussen aan elkaar worden overdragen, is daardoor groter.

 

Lees ook
VIDEO: dit is het verschil tussen griep en verkoudheid >

 

Wat zijn de symptomen? 

Eigenlijk krijgen kinderen vergelijkbare klachten als bij griep, maar dan een tikkie heftiger. Een paar voorbeelden: benauwd, kortademig, ophoesten van slijm (soms met wat bloed), moe, rillen en koorts.

 

Hoe behandel je een longontsteking?

Vermoed je dat je kind een longontsteking heeft, neem dan contact op met de huisarts. In de meeste gevallen schrijft hij of zij dan een antibioticakuur voor. Althans, als de oorzaak een bacteriële infectie is. Aan een virale infectie kan de huisarts weinig doen en dan is het een kwestie van uitzieken. Bij koorts of pijn mag je doorgaans gerust een pijnstiller geven.

Zijn de klachten na drie dagen antibiotica nog niet minder of wordt je kind steeds zieker? Bel dan de huisarts nog een keer. Bij een ernstige longontsteking wordt een kind opgenomen in het ziekenhuis. Daar krijgt-ie een hogere dosis antibiotica toegediend via pillen of een infuus.

 

Wat kun je zelf doen?

De kuur afmaken, je kind goed laten uitrusten én veel laten drinken: voor baby's tot zes maanden geldt ongeveer 150 ml per kilo lichaamsgewicht per dag, borstvoeding kan op verzoek. Baby's van zes maanden en ouder hebben per dag ongeveer 100 ml nodig per kilo lichaamsgewicht. Kinderen vanaf één jaar zes tot zeven bekertjes per dag van ongeveer 75 ml. Gaat drinken moeizaam? Probeer eens thee zonder suiker, diksap of dunne pap - dan krijgen ze toch het nodige vocht binnen.

 

Bron: Longfonds

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >