Jorinde wist het zeker: ze zou een schat van een moeder worden met voorbeeldige kinderen. Tien jaar later betrapt ze zichzelf erop dat ze meer wegheeft van een drilsergeant.

Het begon zo veelbelovend. Met oudste zoon (inmiddels tien) in de draagdoek, keek ik toe hoe in de kinderboerderij een jochie van een jaar of zes met zijn gezicht op onweer een leeg blikje zo hard mogelijk tegen een kinderwagen probeerde te trappen. Wat een monster, dacht ik, als die van mij maar niet zo opdroogt.

 

Zo zou ik het later ook doen

Terwijl ik mijmerde over hoe ik dit in de toekomst allemaal zou aanpakken, stapte de moeder met een paar ferme passen op het monster af. Nu zul je het krijgen, gokte ik; een bulderend ‘stop daarmee!’ of op zijn minst een iets te felle ruk aan dat maaiende armpje. Maar niks van dat alles. In haar kordate tred pakte ze een voetbal van de grond, stopte die in zijn handen en zei: “Kijk maar eens of je die in dat goal daar geschopt krijgt.” Het duivelskind vergat het blikje stante pede, huppelde naar het voetbalplaatsje verderop en speelde – let op – líef verder. Moeder gooide het blikje in de prullenbak, richtte haar aandacht op haar kind in de wagen en hulde de kinderboerderij in een bijna serene rust. Ik keek verbouwereerd toe. Wow, zo zou ik het ook doen later.

 

Hoe moeilijk kon het zijn?

Ik denk er nog vaak aan terug. Aan de moeder die het hoofd zo koel hield en zo lekker nuchter handelde. Aan de boeken die ik vervolgens las over positief opvoeden. Aan hoe ik me als kersverse moeder voornam nóóit tegen mijn kind te schreeuwen en – toen jongste (inmiddels zeven en ook al zo’n testosteronbal) er was – ruzies tussen mijn nakomelingen nooit met straf zou beslechten. Positief, positief, positief. Hoe moeilijk kon het zijn? Ik wilde toch zelf ook niets anders dan een fijne, gezellige sfeer in huis, met twee voorbeeldige bloedjes op de bank? 

 

'Zijn jullie helemaal gek geworden?'

Het is zondagochtend, een kleine negen jaar later, als ik wakker word van een harde klap in de woonkamer. Jongste zet het op een brullen, oudste schreeuwt er woest overheen en hond blaft van schrik de buren wakker. Ik kijk op de wekker: 6.30 uur. Allemensen. Hoe oud zijn ze nou helemaal? Is het nu echt te veel gevraagd gewoon rustig tv te gaan kijken als je echt niet meer kunt slapen? En trouwens: de regel is niet opstaan voor zeven uur. Ik stuif naar beneden en gooi de deur naar de woonkamer open. “Zijn jullie helemaal gek geworden?”, schreeuw ik. “Het is zondagochtend, wat is hier aan de hand?” Mijn slaapstem maakt dat mijn gegil nog hysterischer klinkt dan ik al ben en mijn kapsel ziet eruit als dat van Cruella de Vil. Ik moet er belachelijk uitzien.

 

Ik barst uit in een tirade

Geschrokken schieten mijn jongens naast elkaar in het gelid. Jongste met een rood betraand gezicht, oudste met mijn motorhelm op zijn hoofd. “Hij duwde me van de bank”, snikt jongste. “Ja, maar hij wilde tegen jou gaan zeggen dat we aan het freerunnen waren”, foetert oudste vanachter zijn beslagen vizier. Tussen bank, poef en loveseat ligt een spoor van kussens én de hondenmand om hun vallen te breken. “En jouw motorhelm is echt heel goed voor de veiligheid, mam.” Klikken, freerunnen in huis, opstaan voor zeven uur, het illegaal gebruik van mijn motorhelm – en detecteer ik daar snoeppapiertjes op de salontafel? Mijn twintig stappenplannen naar positief ouderschap hebben voor elk van de overtredingen vast waslijsten met hoe dit vooral ‘correct’ en ‘positief’ aan te pakken. De kinderen hebben mij tenslotte lekker in bed laten liggen,  waren  – hoewel illegaal – toch lief samen bezig en als ik heel erg eerlijk ben: is dit niet eigenlijk een hilarisch tafereel? Ze hebben er zelfs over nagedacht hoe ze hun stuntwerk veilig konden  uitvoeren. Maar voor ik het doorheb, barst ik uit in een tirade die niets weg heeft van mijn positieve opvattingen. “Jullie luisteren ook nóóit.” 

 

Ik hoor mezelf alleen maar nee roepen

Dit is niet de bedoeling. We zouden een drie-eenheid zijn, sprankelend van de positiviteit. Sterk door vertrouwen en geloof in elkaar en onvoorwaardelijke steun in wat voor situatie dan ook. Ik zou ze begeleiden, maar niet dirigeren. Prijzen, in plaats van straffen. Vragen stellen, in plaats van uitfoeteren. Mijn huis zou een veilige oase zijn waarin mijn jongens zouden uitgroeien tot zelfverzekerde, positieve knullen, die uit zichzelf altijd goed en rechtschapen zouden handelen. Nu zitten ze timide in hun boxershorts in de loveseat, dicht tegen elkaar aan (voordeel van mijn tirade: de ruzie is beslecht) en sta ik zo stijf van de adrenaline, dat uitslapen geen optie meer is. Het moet anders. Want als ik eerlijk ben, hoor ik mezelf eigenlijk al tijden alleen maar nee roepen. Dreigen met dagen zonder iPad en eh, het is echt waar: schelden. Zei ik nou echt sukkel tegen mijn kind?

 

Kijk, ik ken de Regels best

Vanaf nu ben ik de moeder van de kinderboerderij. Sterk en positief; een immer lieve, stimulerende rots in de branding. Mijn iPad met positieve opvoedsites leg ik voor de zekerheid weer op mijn nachtkastje. Ik kan wel wat opfriswerk gebruiken. Kijk, ik ken de Regels allemaal best. Ik moet mijn kinderen een veilige en stimulerende omgeving bieden, waarin ze leren omgaan met emoties en gevoel, en waarin ze meer buitenspelen en leren van het leven en vriendjes dan van de iPad. Waarin ik ze een beetje moet loslaten, en moet leren dat ze fouten mogen maken. Ik moet ze positief ondersteunen. Prijzen en waarderen, en op een respectvolle toon met ze praten. Ik moet spontane leermomenten aangrijpen, ze leren luisteren door ook eens over mezelf te vertellen, problemen leren oplossen en laten ontdekken waarom praten belangrijk is.

 

Mijn kinderen moeten meedraaien in maatschappij

Ze mogen best wat discipline krijgen. Dus ik moet consequent zijn. Ze leren dat ze verantwoordelijk zijn voor hun eigen gedrag en dat het belangrijk is om rekening te houden met de gevoelens en wensen van anderen. Zorgen dat ze zelfbeheersing krijgen en negatief gedag soms gewoon negeren. Liever positief gedrag belonen dan negatief gedrag bestraffen. O, en dan moet ik natuurlijk ook nog realistische verwachtingen hebben, want iedereen is nu eenmaal anders. Alsof ik die boeken zelf geschreven heb. Maar ja, is het eigenlijk niet gewoon de basis van opvoeden in het algemeen? Oké, los van mijn incidentele ‘sukkel’ of ‘effe opzouten’ dan, maar het moeten ook geen watjes worden. Positief opvoeden is leuk, maar mijn kinderen moeten wel meedraaien in een maatschappij die nu eenmaal niet gemaakt is van suikerspinnen en goede bedoelingen. Bovendien ben ík hier de opvoeder, en ik ben nu eenmaal van het type I don’t sugarcoat shit, I’m not Willy Wonka – een zin die ik ooit las op Pinterest. Maar je kunt het overdrijven.

 

Drilsergeant in plaats van positieve opvoedende moeder

Een dreinende oudste omdat hij vanmiddag even geen vriendje kan uitnodigen, reageert wellicht iets beter op ‘ik zie en begrijp dat je ervan baalt, maak alvast een afspraak voor morgen, wanneer je broertje geen zwemles heeft’ dan op mijn voor de hand liggende ‘kappen met zeuren’. ‘Wat hebben jullie er een puinzooi van gemaakt’ klinkt niet bijster aardig en stimulerend als ze net voor het eerst hebben geprobeerd een ontbijtje te maken. En een vaste volgorde in het ochtendritueel werkt beter dan mijn continue ‘opschieten!’. In gedachten spreek ik mezelf vermanend toe: ik lijk potdorie wel een drilsergeant, in plaats van een positieve opvoedende moeder. Dit kan echt beter.

 

Iets meer mindful bezig

In de opvolgende weken merk ik dat het eigenlijk al genoeg is als ik iets meer mindful bezig ben. Nadat ik mezelf er op een ochtend toch weer op betrap dat ik als een legersergeant mijn kinderen tot tandenpoetsen en ontbijten maan, ga ik op een vrij momentje met ze zitten en zeg: “Weet je, soms ben ik gewoon zo moe van jullie elke keer waarschuwen. Zo kost alles veel meer tijd, terwijl ik veel liever leuke dingen doe met jullie. Begrijpen jullie dat?”

 

Ik merk echt het verschil

Tot mijn stomme verbazing is het de volgende ochtend pais en vree, en heeft oudste zelfs het ontbijt gemaakt. Zijn boze bui nadat ik rustig zijn Nerf-gun heb weggelegd omdat hij ondanks waarschuwen toch drie keer zijn broertje beschoot, resulteert in een spontaan kopje koffie op bed met een welgemeend excuus. We praten en filosoferen. Zou die ene pestkop in de klas zich misschien zo gedragen omdat hij zelf niet gelukkig of onzeker is? Hoe reageer je als je een spelletje verliest? We klussen met z’n drieën een tafel in elkaar van oude steenschotten (tuurlijk kan ’ie met een schuurmachine overweg, loslaten) en als jongste me een afgekloven nectarine in een kleverig bakje overhandigt, vraag ik gortdroog: “Wat zou je daarmee kunnen doen?” Het halfvolle snoepzakje op de grond is meteen verdwenen als ik vrolijk roep: “O, wat lief dat jullie je snoep delen met de hond.” Het zit ’m in de nuance, maar ik merk echt verschil. Ik weet zowaar twee aardig positieve knullen op te voeden. Zonder suikerlaagje en met de nodige drilinstructies tussendoor. Sukkels blijven het natuurlijk – kijk maar hoeveel ze breken – maar wel positieve. 

 

Dit artikel staat in Kek Mama 09-2015

In samenwerking met Kek Mama