moeders op het schoolplein noemen me moedermaffia
Beeld: Getty Images

Suus (34) hoort ze wel fluisteren op het schoolplein. Of als ze binnenkomt op een kinderfeest. Want hoe goed ze het ook voorheeft met haar collega-ouders, die lijken haar adviezen niet op prijs te stellen.

Suus: “It takes a village to raise a child. Dus ben ik blij als iemand ingrijpt wanneer mijn kleuter (5) zich van het klimrek dreigt te storten, of mijn dreumes (1) buiten mijn gezichtsveld paars aanloopt vanwege een stuk appel in zijn keel. Mijn schoonmoeder griste Tristan, mijn oudste, eens weg van het aanrecht terwijl ik er op een halve meter afstand naast stond te koken. Alles onder controle, zou je zeggen, maar hij maakte op dat moment bijna een bak vaatwasblokjes soldaat. Haar kordate handelen scheelde ons een nare trip naar de spoedeisende hulp.

Article continues after the ad

Met die gedachte in mijn achterhoofd schroom ik niet om anderen te hulp te schieten. Voor mij is het logisch om op een verjaardagsfeestje niet alleen mijn eigen kind te begeleiden bij het eten, maar dat van een ander ook even een lepel toe te schuiven wanneer hij de appelmoes met zijn handen te lijf dreigt te gaan. Als een kind bij mij te gast is en ongevraagd in de koektrommel duikt, leg ik uit dat dat niet netjes is. Mijn huis, mijn regels, en deze lijken me van de algemeen geaccepteerde soort. Net als spreken met twee woorden, en gepast taalgebruik. Als ik ernaast sta, tenminste. En anders reik ik zonder waarschuwing de groene zeep aan om zijn mond te spoelen.
 

De moedermaffia

Natuurlijk merk ik best dat veel moeders mijn uitgesproken mening niet altijd waarderen. Ze noemen me de moedermaffia. Terwijl ik me doorgaans gewoon graag aan de regels houd. Zo hanteert de school van Tristan een duidelijk anti-snoepbeleid: traktaties moeten gezond zijn en er mag geen snoep mee naar school. Ook pakjes drinken worden ontmoedigd. Logisch, vind ik, suiker is de eerste verslaving waarmee kinderen te maken krijgen in hun leven.

Toch is er één jongetje dat elke dag winegums in zijn broodtrommel heeft en altijd op chips trakteert. De juf staat het oogluikend toe, want een kind zijn traktaties verbieden op zijn verjaardag is barbaars. Dus komt er in de week daarna steevast een mail van school: ‘Graag benadrukken we nog een keer dat wij het belang van gezonde voeding hoog in het vaandel hebben.’ En daar heb ik me in de klassen-app over uitgelaten. Dat het steeds dezelfde ouders zijn. Sindsdien hoor ik ze fluisteren, op het schoolplein: ‘O daar heb je Suus, heeft je kind wel braaf een banaan in zijn broodtrommel?’ Dat doet pijn, maar ik sta wel achter wat ik stuurde.

Het klinkt alsof ik denk dat ik alles beter weet, maar niets is minder waar. We klooien allemaal maar wat aan, en samen zien en weten we meer dan in je eentje. Maar dan kunnen we elkaar toch beter een handje helpen?
 

Bijsturen

Dat ik mijn kinderen dicht op de huid zit zal ik niet ontkennen. Mijn eigen jeugd was kil en afstandelijk, mijn ouders waren van de ‘niet zeuren, word je hard van’-lijn. Dus lieten ze me zonder handschoenen door de vrieskou naar school vertrekken, ik ontdekte vanzelf wel dat ik ze de volgende keer dus niet moest vergeten. Geen eigen boterham gesmeerd? Dat werd dan een dagje honger lijden. En besloot ik wel een lunch te smeren maar alleen suiker op mijn brood te doen; prima. Niemand die zich druk maakte over mijn vitaminen.

In de basis hadden ze gelijk: kinderen moeten leren zelfstandig te worden. Alleen help ik de mijne daar liever wat sturend bij, in plaats van dat ik ze direct in het diepe gooi en laat spartelen. Mijn zoon heeft in de winter dus altijd zijn wanten bij zich, omdat ik ze in zijn jaszakken heb gestopt. En als hij weigert zijn regenjas aan te trekken terwijl het pijpenstelen regent, spreek ik hem net zo lang vermanend toe tot hij luistert. Op zijn schoolbrood zit alleen maar gezonds, omdat ik ervoor zorg dat dat voor hem klaarstaat wanneer we vertrekken – altijd te voet om niet bij te dragen aan rijendikke auto’s in de straat. Ik wil geen mail van de juf dat mijn kinderen schelden of brutaal zijn, dus hamer ik de omgangsregels er stevig in sinds ze een jaar oud waren. Ze zullen mij nooit verwijten dat ik ze niet heb opgevoed. Hoe meer bagage ik ze meegeef, hoe meer ze daar later aan hebben. Maar waarom zou ik alleen mijn eigen tuintje wieden? Als er een ander kind naast staat, geef ik hem die bagage met liefde even mee.
 

Kleine moeite, iedereen blij

Mijn ouders en schoonouders vinden me te streng. ‘Joh Suus, laat ze lekker kind zijn’, zegt mijn schoonmoeder soms. Dat doe ik ook, maar als je in de plassen wilt stampen moet je regenlaarzen aan, en geen kou vatten op je nieuwe gympen. Dus houd ik ze stevig aan de hand wanneer we niet op zo’n situatie zijn voorbereid. Tristan heeft een klasgenootje dat elke week in zijn hemd en onderbroek en op bloten voeten gymt, zijn ouders vergeten structureel zijn gymtas. De laatste keer dat ik hielp bij het omkleden heb ik een extra setje meegenomen. Kleine moeite, iedereen blij. Tenminste, daar ging ik van uit.

Maar die middag had ik een woedende moeder aan de lijn. Waar ik me mee bemoeide. Nou, nergens mee, het was geen persoonlijk bedoelde actie. Als de vuilnisbak van de buren in brand staat, blus je hem toch ook als je ernaast staat? Zo heb ik Tristan ook al meerdere malen voorgesteld het klasgenootje dat fulltime op de opvang zit gewoon een middag bij ons uit te nodigen. Heeft-ie ook eens een verzetje. Niet omdat ik de fulltime werkende ouders veroordeel, maar omdat ik denk op die manier wat leuks te doen, en misschien zelfs wel te helpen. ‘Mijn kind heeft het prima naar zijn zin op de bso hoor’, sprak een moeder boos toen ik dat een keer aankaartte in een groepje op het schoolplein. ‘Misschien wel beter dan jouw kind dat alleen bij zijn moeder zit.’ Daarop antwoordde ik dat ík geen kind heb gekregen om het door anderen te laten verzorgen. Mag je niet zeggen, weet ik. Maar ik vínd het wel. En ik was niet degene die begon met oordelen.
 

Lees ook
'Ik verkrampte bij de gedachte 24/7 bij mijn kind te zijn. Laat mij maar werken' >
 

Sociaal aanpassingsvermogen

Toch: als we allemaal een beetje meer oog voor elkaar zouden hebben, zouden er in mijn ogen veel minder oordelen zijn. Heeft een vriendje van mijn kinderen geen jas aan terwijl hij buiten speelt? Geef ik hem toch eentje uit mijn kast. Misschien hadden die ouders geen idee hoe koud het zou worden toen ze hem bij mij lieten spelen. Andersom hoop ik dat ze hetzelfde doen. En dat kinderen van anderen onder mijn supervisie met mes en vork moeten eten – ja, ook friet en kipnuggets – levert ze echt geen schade op, zelfs al voeren hun ouders ze op hun achtste nog à la Rapley, met zachtgekookte groenten uit de knuist.

Mijn kinderen leren ook dat ze zich bij anderen moeten houden aan de regels die daar gelden. Dus mogen ze daar wel op de bank springen; míjn doorgezakte meubels zijn het niet. Maar gelukkig weten mijn kinderen wel dat het niet zo hoort. Maakt mij dat de moedermaffia? Ik dacht het niet. Ik respecteer de opvoeding van anderen, maar sta vierkant achter de mijne.

Dat andere ouders hun eigen opvoeding ook laten gelden op school en visite, veroordeel ik wel. Jouw huis, jouw regels, maar daarbuiten bestaat er in mijn ogen zoiets als sociaal aanpassingsvermogen. Ik zit niet te wachten op de chocopastavingers van jouw kind aan mijn muren, omdat jij het belangrijk vindt dat Jantje zich vrij ontwikkelt – óók als-ie ergens te gast is. Wie is hier dan de echte maffioso?
 

Vadermaffia

Mijn vriend Herman deelt mijn mening en hamert zo mogelijk nog meer op ‘hoe het hoort’. Gek is dat je daar niemand over hoort fluisteren. Heb jij een man weleens oordelend horen praten over de opvoeding van een vriend of buurman? Er bestaat geen vadermaffia. Toch is Herman degene die corrigerend optreedt wanneer het buitenspelen niet eerlijk verloopt of de buurtkinderen een bal tegen een auto trappen. Hij staat wel bekend als ‘die strenge vader’, maar zolang ik nooit iemand anders zie ingrijpen, heb ik lak aan wat ze zeggen.

Ik denk weleens dat anderen te bang zijn om zich uit te spreken of in actie te komen als het om de kinderen van anderen gaat. Ik stond eens te kletsen met een moeder die de twaalfjarige zoon van een vriendin in het park had betrapt met blikjes bier. ‘Heb je hem aangesproken op hoe slecht dat is?’ vroeg ik. Nee, dat had ze niet. Sterker nog: ze had zich omgedraaid en gedaan alsof ze het nooit had gezien. Ze was tenslotte geen verrader. ‘En je vriendin dan,’ vroeg ik, ‘zou die het niet willen weten?’ Tja, dat vond de moeder niet aan haar om te vertellen, bang om een smet op de vriendschap te leggen. Ik noem dat geen vriendschap, ik noem dat laf. Ik zou niets liever willen dan dat mijn vriendinnen me de waarheid zeggen, ook als die over mijn kinderen gaat en eigenlijk niet is wat ik wil horen.
 

Opvoedevangelie

Míjn vriendinnen hebben overigens ook zo hun ideeën over mijn ‘opvoedevangelie’, zoals ze dat noemen. ‘Laat ieder het gewoon lekker op zijn eigen manier doen, Suus’, zeggen ze dan. ‘Die kinderen worden ook groot zonder jou.’ Is ook zo. Ik sta heus niet op de deur te kloppen om te vertellen dat je kind om zeven uur naar bed moet of dat je na drie jaar borstvoeding misschien eens een flinke kom yoghurt moet proberen. Het gaat me puur om zaken waar ik direct mee te maken krijg.

Hoe ze ook roddelen, zo slecht vinden de schoolpleinmoeders mijn zorg niet. Wanneer de bso onverhoopt gesloten is of een kind uit school gehaald moet worden, staan ze opeens wel te trappelen om mijn hulp. Die wordt al snel bij mij gezocht; ik ben de enige die niet werkt. Dat ik en passant hun kind even leer veters strikken is dan weer géén betweterij. Ik laat het maar van me afglijden; Tristan is blij met zo vaak vriendjes over de vloer. En als ze straks pubers zijn, ben ik de lachende derde. Want orde en regelmaat, die zaten er bij ons altijd al in. Dat breng je peuterpubers echt stukken makkelijker bij dan echte.”
 

Dit artikel staat in Kek Mama 05-2021.

 

 

Meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of neem een abonnement >