pamper zoon peuter
Beeld: Unsplash

Ze ruimt hun rotzooi op, smeert gel in hun haar en belegt hun boterhammen. Jorinde pampert haar zoons van twaalf en negen als een dolle en is er nog trots op ook.

“Kom maar schat, mama doet het wel even.” Het is maandagmorgen en ik zie mijn jongste zoon hannesen met zijn spijkerbroek. Niet dat hij erg zijn best doet de stroeve rits dicht te krijgen en zijn hemd in te stoppen; hij is met belangrijker zaken bezig. Een poppetje dat uit de Legoboot dreigt te vallen. De Donald Duck op zijn bed. Begrijp ik best en daarom loop ik half afgedroogd uit de douche naar hem toe, stop zijn hemd in zijn broek, rits de boel dicht en geef hem een kus op zijn bol. “Je boterhammetje staat klaar; ga je alvast eten?”

Een volkomen normaal plaatje bij een kind van vier. Van zes, voor mijn part. Maar mijn zoon is negen. En ik pamper hem alsof hij een peuter is – en zijn grote broer van twaalf erbij.
 

Getroetel

Zelf vind ik het wel meevallen, mijn getroetel. Mijn kinderen vegen hun eigen billen af sinds ze zindelijk zijn, slapen elke nacht braaf in hun eigen bed, eten groenten en fruit en zeggen keurig gedag en dankuwel tegen volwassenen. En het zijn jongens, dus ik laat ze Sire-verantwoord in bomen klimmen en van hoge muurtjes springen waarna ik kapotte knieën kus en weer oplap en ze de volgende keer gewoon opnieuw laat gaan. In de vakantie bedelen ze hooguit één keer per dag om een ijsje en ze laten de hond na drie keer vragen uit, niet alleen op zondag maar elke dag. Behalve als het regent. Of het extreem koud is. Want ja, het zijn wel mijn kinderen. Ze moeten al zoveel, qua school, huiswerk en sport.

Daarom zwicht ik als oudste zoon voor de tiende keer in de week te laat dreigt te komen en breng ik hem snel met de auto. Daarom dronk mijn jongste tot zijn derde uit mijn borst en regel ik op een regenachtige woensdagmiddag nog steeds zijn speeldates, terwijl hij toch echt zijn eigen mobiele telefoon heeft en de godganse dag appt met klasgenoten. Ik pak hun gymtassen en smeer hun haren in model omdat ze me elke dag inpalmen met de opmerking dat ik dat zo goed kan. Bij het minste of geringste voorval sta ik op de stoep bij de juf, en een schoolziekdagje valt met een overtuigende pruillip met mij best te regelen. Zo’n moeder ben ik dus.
 

Alles gaat gewoon een stuk sneller

Natuurlijk doe ik dit alles omdat ik van ze hou. Maar mijn gepamper heeft nog een – niet geheel onbelangrijke – reden. Alles gaat gewoon een stuk sneller als ik het doe en het scheelt me bergen rotzooi. Het is voor een groot deel dus ook mijn controledrang, die ik botvier op mijn kinderen. Met diep respect kijk ik naar vriendinnen die kinderen hebben die hun eigen boterhammen smeren, zelf hun gymtas pakken en alleen naar school wandelen. Kinderen die hun eigen kamer opruimen en een schone broek in hun kledingkast kunnen vinden. Kinderen die zonder morren tandenpoetsen en zelf in hun pyjama en bed stappen.

Niet mijn kinderen. Mijn jongens ruïneren op zoek naar een schone broek eerst de door mij met bloed, zweet en tranen keurig gevouwen stapels kleding waarna ze naar beneden komen met de opmerking dat ze hem niet hebben kunnen vinden. Om gek van te worden, maar ik zeg: “Laat maar liefje, mama pakt die broek wel even.” Het brood weten ze nog net te vinden, maar hoe je een bevroren exemplaar ontdooit in de magnetron is ze een raadsel. Naar bed gaan gaat nog altijd gepaard met vaste rituelen (zelfverzonnen slaapliedje voor de jongste, een diep gesprek met de oudste) waarna ik ze lekker instop, kus volgens een vast patroon, en om elf uur nog een keer ga kijken of ze wel in slaap zijn gevallen.
 

Lees ook
Vrolijke opvoedtantes Els en Do over te veel verwennen >

 

Softies

“Krijg je softies van”, waarschuwen vriendinnen. Die zien de bui al hangen: tegen de tijd dat mijn kinderen twintig zijn, zijn ze nog tien keer onzelfstandiger dan de kerels die ik keer op keer de deur wijs in mijn zoektocht naar een man die een beetje zelfredzaam is. “Die hadden allemaal een moeder zoals jij”, grijnst vriendin C. “Het is karma.”

Natuurlijk snap ik ook wel dat mijn kinderen veel meer aankunnen. Dat ik ze misschien rem in hun ontwikkeling. Oudste zoon bracht ik tot zijn elfde naar school – op de hoek van onze straat. Hij kon pas veters strikken op zijn tiende maar besloot vóór die tijd al wel dat hij freerunner is. Best link, als je je hippe sneakers niet zelfstandig vast kunt maken wanneer je met een salto van een schuur wil springen. Kamers opruimen, daar snappen mijn jongens niks van. Die worden toch vanzelf weer netjes? Soms schrik ik badend in het zweet wakker met de gedachte: dat wordt nog wat, straks kunnen ze op de middelbare school in de chaos van hun schoolkluis hun boeken niet vinden, omdat mama’s hand nou eenmaal niet zo ver reikt. Om nog maar te zwijgen over de vraag hoe ze zich in hemelsnaam moeten redden in hun studententijd als ze niet eens hun eigen brood kunnen smeren.
 

Tegenslagen genoeg

Ik weet heus wel dat neurowetenschappers moord en brand schreeuwen omdat deze generatie kinderen zo in de watten wordt gelegd dat ze later niet met tegenslagen kunnen omgaan. Onzin, vind ik. In mijn geval, tenminste. Tegenslagen genoeg voor mijn softies. Het felbegeerde speelgoed waarvoor ze gewoon zelf moeten sparen (oké, oké, ik vul dat laatste restje weleens aan omdat ze zo’n mooi rapport hebben, of omdat het vakantie is, of ik weer eens vijf weken hun zakgeld ben vergeten). Het vriendje dat niet met ze wil spelen, het spelletje waaraan ze niet mogen meedoen. Gescheiden ouders; óók best even doorbijten. Hoe ze daarmee dealen heeft niks te maken met een moeder die ze hun eigen veters laat strikken, door de regen laat fietsen en schone was leert opruimen. Daarmee dealen ze door te praten, reflecteren en filosoferen. En dat doen we eindeloos.
 

Zelfredzaamheid

In de zomervakantie fietsten oudste en ik drie keer de route van huis naar zijn nieuwe school, en dat lukte hem zonder noemenswaardige ongelukken. Jongste dacht deze week spontaan helemaal zelf aan zijn gymtas (oké, hij was de schoenen vergeten maar een kniesoor die daarop let). In al mijn gepamper breng ik ze blijkbaar toch voldoende zelfredzaamheid bij om op een normaal niveau mee te draaien in de maatschappij. En als ze alsnog softies worden, hoop ik dat hun toekomstige liefdes zien hoe rijk ze zich mogen rekenen met zo’n goedzak. Zolang ze maar afblijven van de keurig gevouwen stapeltjes kleding.
 

Dit verhaal staat in een Kek Mama Opvoedspecial en is al een keer eerder gepubliceerd.

 



 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

minder clubjes
Beeld: Unsplash

De hele week zie je moeders verwilderd rondrijden van gitaarles naar toneel, van voetbaltraining naar ballet. Alsof ze potdorie niks beters te doen hebben. “Mag het alsjeblieft een clubje minder?”

Nee, ik kan niet met je afspreken op woensdagmiddag. Op woensdag ben ik namelijk taxichauffeur. Zodra de lunch achter de kiezen is, bevind ik me in de auto. Volgeladen met mijn kinderen – en vaak met een handvol andere. Nauwkeurig leg ik de te rijden route af en bij elk clubje worden mijn kinderen met open armen ontvangen: “Wat fijn dat je er weer bent!” (Geen woord voor de chauffeur, die niet alleen zorgt dat die kinderen er zijn, maar ook nog eens al die clubjes betaalt.)

Een middag lang rijd ik door de stad. Voorzichtig, zonder overtredingen en zorgvuldig alle knel- en knooppunten vermijdend, zoals een goede chauffeur betaamt. Zo’n taxirit is logistiek een hele uitdaging. Het ene kind moet naar de tennisbaan, nummer twee tien minuten later bij de gitaarleraar afgezet aan de andere kant van de stad. Dan de hele goegemeente in omgekeerde volgorde ophalen en bij respectievelijk voetbal en dansen afzetten. Om daarna een kind alvast naar huis te brengen en met de ander nog even door te rijden naar de pianojuf.
 

Resoluut

Kan het niet een clubje minder, zegt u nu. Ja, dat vraag ik mezelf ook weleens af. Maar mijn kinderen vinden alles zo leuk. En ik vind het dan weer leuk dat zij dat zo leuk vinden. Laat er een psych op los en die zal ongetwijfeld het gemis aan al deze geneugten in mijn eigen jeugd naar voren schuiven. Ik heb een heerlijke kindertijd gehad, maar mijn moeder was wat clubjes betrof redelijk resoluut. Eén sport is genoeg.
 

Eigen schuld

Ik zou haar advies ter harte moeten nemen. Want hoewel ik het belangrijk vind dat mijn kinderen plezier hebben, zit ik niet bepaald op dit taxibaantje te wachten. En dan moet je weten dat ik niet alleen woensdagmiddag chauffeur ben, maar ook maandagmiddag en zaterdagochtend. Mijn eigen schuld. Ik zeg immers ja op het moment dat een nieuw clubje zich aandient en een van mijn kinderen met smekende ogen voor me staat. Terwijl ik heel goed weet dat een nieuwe bezigheid in de praktijk betekent dat ze moeten worden gebracht en gehaald. En toch geef ik toe. Omdat ze er zo veel plezier in hebben, omdat het goed voor ze is, omdat ze er veel van leren. Zij blij, ik blij. Tot het moment van halen en brengen zich aandient. Zit ik wéér in die auto.
 

Sociale bezigheid

Wat ook meespeelt, is dat al hun vriendjes eveneens op die clubjes zitten. Een vraag of ze een nieuwe sport mogen beoefenen of op een of andere knutselcursus mogen eindigt steevast met de mededeling dat Pietje, Kees en Truus het ook doen. Waardoor het naast een sportieve en creatieve uiting ook nog eens een sociaal gebeuren is. En wie ben ik dan om mijn kinderen daar niet aan te laten deelnemen? Komt bij dat ik in een stad woon met een zeer groot verenigingsgebeuren. Noem een sport of bezigheid en er zit hier een club aan vast. Die onderling alle trainings- en wedstrijddagen op elkaar lijken te hebben afgestemd. Een nieuwe vis in de vijver? Alles schuift en verschuift en hup, weer een gat waar getraind of bijeengekomen kan worden.
 

Lees ook
Sara's editorial: clubjes >

 

Zelf dingen ondernemen

Vriendin K. geeft minder makkelijk toe. Ze heeft twee jongens en een drukke baan. Haar vrije woensdagmiddag heeft ze nodig om ook een beetje aan zichzelf toe te komen. Haar kinderen doen dus niks. Nou ja, niks, ze vermaken zich prima. “Kinderen moeten al zoveel, hoe heerlijk is het als je een hele lange middag voor je hebt waarin je kunt doen wat je wilt?” Volgens haar zorgt het hebben van niet al te veel verplichtingen ervoor dat haar kinderen gestimuleerd worden zelf dingen te ondernemen. Dingen die niet voor hen zijn bedacht in de vorm van hockey, tennis, timmeren, of toneelles, maar die ze zelf bedenken.
 

Langs de lijn staan

Ze maakt zich geen zorgen of haar kinderen buiten de groep vallen. “Ze hebben vriendjes genoeg. Juist omdat mijn kinderen bijna altijd kunnen afspreken.” Ook de sociale druk om langs de lijn te staan voelt ze niet. Ik zelf sta – niet altijd met evenveel zin, want meestal op onmogelijke tijden – best vaak naar de sportprestaties van mijn kinderen te kijken. Diep in mijn hart zou ik graag eens een zaterdagochtend met een pot koffie en een stapel weekendkranten willen doorbrengen. Maar de druk om langs die lijn te gaan staan is groot. Ouders rekenen elkaar daar nogal eens op af.

De zoon van K. mocht uiteindelijk op voetbal. Voor hij zijn voetbalschoenen kreeg, legde ze hem uit dat ze niet elke week langs het voetbalveld zou staan. Iets wat door andere ouders van het team niet bepaald op prijs werd gesteld. Er wordt van je verwacht dat je bij elke prestatie van je kind aanwezig bent, of dat nu een wedstrijd, voorstelling of slechts een training is. K. voelde die keren dat ze wel kwam kijken de messteken in haar rug. “Mensen zeggen niet dat ze het stom vinden dat ik er bijna nooit ben, maar ik hoor het ze denken. In heel kleine dingen voel ik dat, een vals bijzinnetje bijvoorbeeld of het feit dat er altijd tegen me wordt gezegd dat ik zo hard werk en wel moe zal zijn.”
 

Kan-mijn-kind-meerijden

Vriendin A. heeft drie kinderen. Die allemaal minimaal twee sporten doen, een instrument bespelen en ook nog op creatieve clubjes zitten. Ze heeft haar werk zo ingericht dat ze elke dag om drie uur beschikbaar is als taxichauffeur. In tegenstelling tot K. staat A. altijd op het sportveld en zit vooraan bij elke uitvoering van haar kinderen. Last van messteken heeft zij niet, wel van de kan-mijn-kind-met-jou-meerijden-want-jij-gaat-toch-al-verzoeken. “Ze weten dat ik rij en dan is een kind of twee extra meenemen geen probleem.”
 

Eén clubje minder, graag

Mijn zoon deed in zijn hoogtijdagen drie sporten en zat ook nog op drumles. Mijn dochter deed twee sporten, zat op streetdance, musicalles en volgde een workshop tekenen. Eén clubje minder, stelde ik mijn kinderen voor. Ze schrapten ieder een clubje van hun lijst. Ze kozen, zal je net zien, de clubjes die op steenworp afstand van elkaar te vinden zijn: judo en musicalles.

Gelukkig maakt nood uiterst creatief. Ik kon overal naar toe blijven rijden, maar zoiets als gitaarles kon eigenlijk gewoon bij ons thuis. En naar tennisles kon best met het groepje vriendinnen gefietst worden. Met mijn man sprak ik af dat het ook goed is als maar een van ons bij een wedstrijd of uitvoering is. En zo ontstond er toch wat lucht. Bovendien luister ik met terugwerkende kracht naar het advies van mijn moeder. Laatst wilde mijn zoon op een verdedigingssport, een half uur rijden van ons huis. Ik gaf hem twee opties: hij kon iets zoeken op fietsafstand óf wachten tot hij achttien was en zelf zijn rijbewijs op zak had.
 

Dit artikel staat in Kek Mama magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

De juf
Beeld: Getty

Een leerkracht vertelt aan Kek Mama wat ze meemaakt. Deze keer: de overleden vader van leerling Clarissa (6).

Maandagmiddag, twee jaar geleden. De kinderen zijn naar huis en ik drink thee met collega’s. We lachen net om een voorval op het schoolplein als de conciërge binnenkomt en zegt dat Suzan me wil spreken. Ze is de moeder van mijn leerlingetje Clarissa (6). Suzan is in tranen.

Geschrokken neem ik haar mee naar een rustige kamer. Daar vertelt ze dat Clarissa’s vader de avond tevoren een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Het wordt wazig om me heen. Niet flauwvallen, denk ik. Ik zie Rob voor me, een vriendelijke, vrolijke man met lieve bruine ogen.
 

Pas twee jaar voor de klas

Ik ben 23 en sta pas twee jaar voor de klas. Suzan en Rob zijn minstens tien jaar ouder dan ik. Ik heb de dood nog nooit van nabij meegemaakt, op het bekende konijn en de goudvis na. Suzan vertelt tussen het snikken door wat er is gebeurd. Hoe depressief Rob de laatste tijd was, hoe ze een lief briefje op tafel vond, hoe ze hem heeft aangetroffen.

Ze kijkt me met wijd opengesperde ogen aan. “Hoe moet ik dit aan Clarissa vertellen?”, vraagt ze. ‘Ze weet nog van niets, ze speelt bij een vriendinnetje.” Ik kijk sprakeloos terug. Geen idee wat ik moet zeggen. Ik dreig in tranen uit te barsten als Jonathan, onze directeur, binnenkomt. Hij is gewaarschuwd door een opmerkzame collega die het gevoel heeft dat er iets helemaal mis is. Na een blik op mij vraagt Jonathan of ik thee voor ons drieën wil halen.
 

Rouwen in ladekastjes

De volgende dagen heb ik het gevoel dat ik stage loop in rouwtherapie. Ik leer dat kinderen rouwen in ladekastjes – de laatjes gaan dicht als het te veel wordt. Suzan vertelt me dat Clarissa erg huilde toen ze het nieuws hoorde, maar daarna al vrij snel vroeg of ze appelsap mocht. Na drie dagen brengt Suzan haar naar school. Ze heeft een schoenendoos bij zich die is versierd met wolkjes. Clarissa’s klasgenootjes mogen er een tekening in doen.

Rob wordt begraven op een tropisch warme dag. De hele school is aanwezig, het wordt bijna gezellig. Mensen lachen als zijn hondje op de kist springt.
 

Lees ook
Juf Julia en de overleden moeder van Mylou >

 

Dieren die misschien in de hemel zijn

Volgens Jonathan zal Clarissa zelf aangeven wat ze nodig heeft. De eerste weken wil ze vooral spelen. Maar op een dag komt ze bij me staan en zegt: “Mijn papa is dood. Ik denk dat hij in de hemel is. Zijn er vogels in de hemel?” Aarzelend zeg ik dat het goed zou kunnen. En dat ze misschien een tekening kan maken over vogels.

De volgende weken praten we op gezette tijden over welke dieren er in de hemel zouden kunnen zijn. Hamsters, hertjes, eenden, dinosaurussen? Ze tekent ze allemaal. Haar vriendinnen doen mee. Er komt een hele serie over ‘dieren die misschien in de hemel zijn’.
 

Twee jaar later

We zijn nu twee jaar verder. Het gaat goed met Clarissa. Ze zit niet meer in mijn klas. Toch komt ze af en toe met me praten over de dieren in de hemel. Ook in mijn nieuwe klas maken we een serie over dieren in de hemel. Een paar maanden geleden stierf de moeder van een van mijn leerlingen aan kanker. Ik merk dat ik het jongetje kan steunen met mijn ervaringen met Clarissa. Daardoor weet ik nu dat ook de afschuwelijkste gebeurtenissen lichtpuntjes kennen. Door de dood van Rob ben ik in één keer volwassen geworden als leerkracht.
 

Dit artikel staat in Kek Mama Magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >