opvoeden Mariette Middelbeek
Beeld: Unsplash

Gelukkig is er één troost: tegen de tijd dat de kinderen van Mariëtte achttien zijn slapen ze ongetwijfeld door, vechten ze elkaar de tent niet meer uit, kunnen ze mes, vork en tandenborstel hanteren én heeft ze af en toe weer tijd voor zichzelf - iets waar één op de vier moeders behoefte aan heeft, blijkt uit de Kek Mama jubileum-enquête.

1. Tandenpoetsen

We waren in de speelgoedwinkel en Casper (3) mocht iets uitzoeken. Iets kleins. Een prul van een euro ofzo. Maar zo werkt dat natuurlijk niet in een speelgoedwinkel, want binnen no time had hij de Toet Toet-auto’s gevonden – een grote favoriet van hem, we hebben een nogal uitgebreide collectie die soms tot mijn grote hartverzakking ’s avonds in de kast ineens begint te zingen, maar dat is weer een heel ander verhaal.
 

Mondje open...

Zijn oog viel op Koos Kiepwagen en ik ging meteen voor de bijl, want het doel heiligde de middelen en het doel was: zijn mond opendoen bij de tandarts. Een kwestie waarover ik al diverse nachten wakker had gelegen, want als Casper zijn mond al niet open wenste te doen voor zijn Woezel en Pip-tandenborstel met Nijntje-tandpasta (wij zetten hier thuis graag zwaar geschut in om iets gedaan te krijgen van onze junioren), dan vast ook niet voor een hem onbekende vrouw in een witte jas en een kapje voor haar mond.

Dus lieten we Toet Toet mooi inpakken en herhaalde ik als een sekte leider de mantra: eerst mond open, dan Koos Kiepwagen. Het werkte wel, hij deed even later zonder problemen wat er van hem werd gevraagd. Ik stond zelfs een beetje voor schut bij de tandarts met m’n ‘hij vindt het echt heel eng dus niet te veel doen want dan gaat hij vast gillen en wegrennen’-geklets.
 

De hele trukendoos

Dat braaf z’n mond opendoen bleek eenmalig, want thuis was en is het nog steeds drama zodra er een tandenborstel in zicht komt. Gillen, krijsen, wegrennen, luidkeels ‘auw, auw, mama, auw!’ roepen, over de grond kronkelen – de hele trukendoos gaat open. Tegenwoordig is het zelfs dubbel drama, want Nora (1) heeft van haar broer geleerd dat tandenpoetsen te allen tijde voorkomen moet worden en gilt en krijst al net zo hard mee. Laatst zei iemand: ‘Je moet het ze gewoon zelf laten doen, dan vinden ze het minder erg.’ Dat klopt, omdat ze dan de tandpasta van hun borstels smikkelen en het ding vervolgens netjes terugleggen in de la.

Het enige wat helpt is de houdgreep, die ik dan ook stelselmatig toepas. Vind ik vreselijk, want ik kan niet tegen huilende kinderen – zie ook punt 3 – maar het is niet anders. Op sommige dagen geef ik mezelf een beetje vrij, dan stop ik de borstel lafhartig in hun mond en hoop dan een hapje tandpasta ook helpt tegen tandbederf.
 

2. Driftbuien

Ik snap echt wel dat de wereld oneerlijk is als je één bent (de terrible two’s vallen bij Nora wat vroeg) en je wil je jas niet aan. Of uit. Of je wil je jas binnenstebuiten. Of je wil je flesje haar lotion openmaken en leegdrinken. Of je wil geen luier om. Of juist wel. Of je wil niet in bad, en niet eruit, o nee niet erin, of nee wacht, toch niet eruit. Of je wil een winkelwagentje in de supermarkt en daarmee tegen iedereens benen aan rammen. En het meenemen in de auto. Ik snap het echt. Maar ik hang de vlag uit als die terrible two’s, three’s, fours of hoe lang het ook duurt voorbij zijn, want man, je kind aan één arm schoppend en krijsend moeten vervoeren, gaat best snel vervelen.
 

3. Straffen

Ik wist ooit best wel goed wat voor moeder ik zou worden: immer consequent en rechtvaardig doch streng. Uiteraard had ik toen nog geen kinderen en dan is het altijd wat makkelijker moederschapsplannen maken dan wanneer de diverse junioren al rondlopen en daadwerkelijk opgevoed moeten worden.
 

Zacht eitje

In de praktijk ben ik zeker rechtvaardig, wisselend consequent en zelden echt streng. Niet omdat ik tegen streng optreden ben, maar omdat ik een zacht
ei zonder ruggengraat blijk te zijn. Ik vind het gewoon moeilijk op te treden en kan heel slecht tegen huilen. Ik doe het wel, dat optreden, maar alleen als ik er echt niet meer onderuit kan. Als de veren van de bank te hard kraken onder het feit dat Casper onze meubels als trampoline gebruikt, bijvoorbeeld, en drie keer dreigen met hel en verdoemenis echt niet heeft geholpen. Maar als er dan een driejarige hartverscheurend staat te huilen op de gang – met snot en veel ‘mamaaaaa, maaa-ha-maaa’-drama – denk ik alleen maar aan die hechtingsstoornis die hij nu natuurlijk oploopt.

Los daarvan vind ik straffen ook nog eens ingewikkeld, want als het snot en de tranen zijn gedroogd, weet Casper doorgaans niet hoe snel hij terug moet sprinten naar diezelfde bank en begint het hele feest van voren af aan. Het record is vijf keer achter elkaar op de gang wegens trampolinespringen en dat hij toen ophield kwam alleen maar door het feit dat we ter afleiding de hond gingen uitlaten.
 

4. Vijf uur 's middags

Er bestaan mensen die zeggen dat ze elke minuut van de dag van hun kinderen genieten en die mensen worden door mij met open mond bewonderd. Er is namelijk een uur per dag dat ik het liefst verdwijn met de hond / met wijn doorbreng / mijn kinderen uitbesteed naar geduldiger mensen dan ikzelf. Zodra de klok vijf uur slaat veranderen de huiselijke minder-jarigen namelijk in hangende, zeurende, krijsende, ruziënde, licht ontvlambare monsters die al gaan bijten als je alleen maar naar ze wijst of als ze naar elkaar wijzen.
 

Tablet(s)

Hoewel ik het iPad-gebruik echt aan banden probeer te leggen, sta ik het liefst om 16.59 uur al met mijn hand in de kast om de tablets – nee, die s is geen tikfout, mijn kinderen hebben er allebei één, een feit waarvoor ik uiteraard veroordeeld dien te worden, maar het is zo makkelijk en als ik de makkelijke opvoedweg kan kiezen zal ik dat niet snel laten – te pakken.

Niet dat het eind van de middag dan ineens een oase van rust betekent in ons huis, want als Nijntje (Nora’s favoriet) dan ineens harder staat dan Casper & Lisa (Caspers Netflix-matties) breekt alsnog de pleuris uit. Gelukkig bestaat er dus wijn.
 

Lees ook
8 dingen die mensen je niet vertellen over kinderen opvoeden >

 

5. Ze leren doorslapen

‘Ja, maar dan hou je het ook wel een beetje zelf in stand, hè.’ Ze heeft natuurlijk gelijk, de (overigens geweldige – ik ben dol op haar) dokter van het consultatiebureau. Ja ik doe het zelf, ja zolang ik Nora ’s nachts blijf troosten met flesjes gaat ze nooit doorslapen, ja ik moet een keer doorpakken, maar hoe vaak ik me ook voorneem om niet voor de bijl te gaan: ik verkies toch altijd de vijf minuten die het me kost om een flesje te maken boven het gedoe van troosten, naar bed sluipen, weer troosten, weer naar bed sluipen, weer terug naar haar kamer, een bijkans hysterische dreumes proberen te kalmeren en dat dan nachten achter elkaar, want leren doorslapen is natuurlijk niet in één enkel nachtje gepiept.
 

Tot die tijd

Vannacht nam ik het me weer voor, maar toen ik me om 2.05 uur, 2.36 uur en 2.52 uur kreunend en wel naar Nora’s kamer had gesleept, wist ik niet hoe snel ik naar de melk moest grijpen. Ooit gaat ze vast vanzelf doorslapen, tot die tijd probeer ik mijn onvermogen om door te pakken te maskeren met wat goedbedoelde opvoedpraat als ‘kinderen zijn tot vier jaar helemaal niet in staat om een nacht lang door te halen, hè’, ‘het is goed voor haar zelfvertrouwen als ze zich ’s nachts getroost voelt’ en nog wat van die dingen die ik op totaal niet wetenschappelijk onderbouwde websites heb gelezen en die waarschijnlijk ook niet waar zijn.

 

6. In de auto

In Nora’s eerste jaar maakten we de fout te denken dat het leuk was met de auto op vakantie te gaan, want o wat konden we veel spullen meenemen en o wat zou het relaxed zijn om niet te hoeven vliegen. Nu moet ik wat beschaamd gniffelen om deze gedachten, want het was de hel omdat mijn kinderen – in tegenstelling tot hele volksstammen die dit probleem niet kennen – niet slapen in de auto. Gewoon nooit. Ja, vijf minuten voor aankomst, dan wel.

Maar verder vermaken ze zich met het gooien van diverse spullen, uitvinden wie het hardst kan gillen (een competitie die Nora doorgaans wint, tenzij ik ineens helemaal klaar ben met dat die takkeherrie op de achterbank, want dan win ik), elkaar slaan en het bij een snelheid van honderdtwintig kilometer per uur opeisen van flessen en spenen die natuurlijk stuk voor stuk onder de voorstoelen zijn gerold.

 

7. Tafelmanieren

Ik heb geluk, want mijn kinderen eten vrijwel alles. Nu zou ik daar graag de credits voor nemen en zeggen dat het komt door mijn zeer consequente eet-strategie, maar het ging vanzelf en ik kan het moeilijk mijn eigen verdienste noemen. Wat wel mijn verdienste zou kunnen zijn, is als ze altijd netjes met bestek zouden eten, geen slab meer nodig hadden en rijst naar binnen zouden kunnen werken zonder dat je nog wekenlang korrels onder de tafel vindt. Maar helaas, dat doen ze niet.
 

Automatische stofzuiger

Gelukkig hebben wij een hond – wie dit niet heeft, zou ik onmiddellijk de aanschaf ervan willen adviseren dan wel op het hart willen drukken gewoon geen rijst meer te eten – die het rijstprobleem meestal voor ons oplost, maar dan nog. Een dag zonder appelstroop in hun haar is zeldzaam, ze moeten elke avond in bad om de tomatensaus/aardappelstukjes/sperziebonen uit hun wenkbrauwen te verwijderen en bestek gebruiken ze eigenlijk voornamelijk om mee op tafel te trommelen.
 

'Netjes eten'

Mijn ouders leggen een zeil op de parketvloer als mijn kinderen komen eten en in restaurants haal ik eerst even een snoetenpoetser over de grond voor ik weg durf te gaan, dus je zou wel kunnen stellen dat ik heel snel aan de slag moet met het onderdeel ‘netjes eten’. Maar eigenlijk ben ik al heel blij dat ze überhaupt eten en dat het bij ons weliswaar rommelig maar wel doorgaans gezellig is aan tafel, dus schuif ik het doorpakken voor me uit en hoop, zoals wel vaker, dat deze kwestie zich vanzelf oplost voor hun achttiende verjaardag. 
 

Dit artikel staat in Kek Mama magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.



Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

dol op kinderen alleen mezelf
Beeld: Pixabay

Joan zegt het maar ronduit: ze houdt niet van andermans kinderen. Beter gezegd: niet van onopgevoede kinderen die wel twaalf speelgoedbakken kunnen omkieperen maar nog niet één legoblokje zullen opruimen

De rosé-appgroep volstorten met bevallingsfoto’s. Een echo als Facebookprofiel. 123 nieuw toegevoegde foto’s aan het album Sprookjeswonderland. Duizend kiekjes van kleine Nina of Sem die bedelen om likes. Voor mij hoeft het niet, al die tentoongespreide kinderen op social media. Ik kan er niks mee. Een baby is een baby, een kind is een kind. Of het nu veel of weinig haar heeft, bolle wangen of schattige dreads.

Een enkele keer laat ik me verleiden tot een duimpje of hartje omdat ik anders zo harteloos overkom. Hetzelfde geldt voor verhalen over schattige baby’s, dreumesen en peuters. Ik mis de clou (die er vaak ook niet is), ik haak af bij opboksverhalen over wanneer een kind kon lopen, zindelijk was, zijn veters strikte of alle tafels kende.
 

Gelukkig van nageslacht

Blijkbaar denkt mijn omgeving dat ik vanwege mijn achtergrond net zo gelukkig word van hun nageslacht als zijzelf. Zwanger worden ging bij mij niet vanzelf. Dat is nogal een understatement, als je bedenkt dat het me tien jaar kostte om mijn zoon te krijgen. Toen ik vlak voor mijn dertigste de pil door de wc spoelde, rekende ik erop de volgende maand al positief te testen. Ik was altijd doodsbang geweest een keer een pil te vergeten en prompt zwanger te raken. Dus die keer dat ik het opzettelijk deed, verwachtte ik dat mijn lijf meteen de boodschap zou oppakken. Niet dus. Pillen, spuiten, reageerbuisjes – ik kwam terecht in de hele medische mallemolen.

Om een lang verhaal kort te maken en ook nog eens zegevierend af te sluiten: op de valreep, een maand voor mijn veertigste verjaardag, werd ik toch nog moeder. Ik kreeg een heerlijk kind waarover alle clichés waar zijn. Twee dagen na zijn geboorte keek ik in de wieg en dacht: als er ooit iets met jou gebeurt, hoeft het leven voor mij niet meer. Een gevoel dat daarvoor niemand bij me had opgeroepen en dat ik nu tot in mijn tenen voelde.
 

Stapelgek op kinderen? Mis.

Met zo’n succesverhaal verwacht de buitenwereld dat je stapelgek bent op kinderen. Als je zo veel moeite doet voor een baby, ben je blijkbaar een moederkloek, kindervriend en babyfluisteraar ineen. Mis. Het tegenovergestelde is waar. Als ik één ding heb ontwikkeld in mijn kinderloze jaren, dan is het een hekel aan andermans spruiten. Beter gezegd: het onopgevoede kind. Of nog beter: aan hun ouders die niet-opgevoede producten afleveren.

Ik vind het vervelend als ik tien uur lang in mijn rug word getrapt door een jongetje in de vliegtuigstoel achter me. Als er kinderen tikkertje spelen in een restaurant. Als nichtjes en neefjes op een verjaardag met twee ongewassen handjes in de bak met chips/ cashewnoten/ komkommers duiken en de tafel leegsnaaien. Laat ik het vriendelijk formuleren: dan ben ik niet zo goed in het onderdrukken van mijn ergernis.
 

Basisbeleefdheidsregels

Natuurlijk zou ik het allemaal anders doen als ik zelf kinderen had. En natuurlijk slaag ik daar niet altijd in, want ook mijn zoon is geen modelkind en weleens moe, hangerig en chagrijnig. Ook heeft hij eigenschappen waaraan een ander zich misschien stoort, maar die ik toevallig goed kan verdragen (zoals bloedfanatiek sporten en elk spelletje willen winnen). Maar de basisbeleefdheidsregels zitten er bij hem wel ingebrand.

Mijn credo is ‘mijn kind mag geen overlast bezorgen aan anderen’. Callum is pas zeven en ik kan hem rustig meenemen naar een restaurant, verjaardag, bruiloft of begrafenis. En voor trans-Atlantische vliegreizen draait hij zijn hand niet om. Dankzij goeie voorbereiding, afleiding, hapjes en vertier in de handbagage zit hij de lange vlucht uit, zonder noemenswaardig contact met medepassagiers. Na afloop van een playdate helpt hij met opruimen en geeft hij de ouder van het vriendje een handje en bedankt voor het spelen. Daar sta ik op.
 

Irritatie

Zelf vind ik het daarom lastig als kinderen hier een hele middag spelen en bij het afscheid nog geen doei uit hun snavels krijgen. Kids die wel twaalf speelgoedbakken feilloos weten om te kieperen, maar nog geen legoblokje willen terugleggen. Meestal zwaai ik moeder en kind overdreven lang na, in de hoop dat er iemand nog enige fatsoensregels herinnert. Om vervolgens met Callum aan het puinruimen te slaan en hem er nogmaals op te wijzen dat ik dit gedrag nooit zou accepteren.

Als ik een feestje geef en een vriendje van Callum na één hap frikadel met volle mond roept dat hij nog een tweede wil, mis ik het gen om dat weg te lachen en te denken: wat fijn dat het jochie zo geniet van de snack. In plaats daarvan irriteert het me mateloos en denk ik vals: jij krijgt als enige helemaal niets meer. Geen mooie karaktereigenschap, niet iets waar ik trots op ben, maar het is wel zo.
 

Lees ook
'Ik vind mijn jongste kind leuker' >

 

'Als het om kinderen gaat, is niks haar te veel'

Ik kijk dan ook vol bewondering naar vrouwen die instant van andermans kinderen houden. Die lieve moeder die elke ochtend in de klas stralend mijn kind begroet, hem bij zijn voornaam noemt en complimenteert met zijn nieuwe poloshirt/ Beyblade/ lunchbox terwijl ik niet eens weet hoe haar kind heet. De moeder die op het klassenuitje soepel zes stuiterende kids in bedwang houdt, terwijl ik er nog geen drie bij elkaar weet te houden – waaronder mijn eigen zoon die ineens een stuk minder goed luistert dan thuis. Mijn buurvrouw waar dagelijks hele schares buurtkinderen zich verzamelen en die een schijnbaar bodemloze vriezer vol ijsjes heeft. Jaloers kijk ik naar haar energie, geduld en warme inborst. Ze is 78, maar als het om kinderen gaat, is niks haar te veel.

En dan is er mijn vriendin Hettina, die ik de oermoeder noem. Zij houdt van elk kind dat ze in haar handen krijgt gedrukt (of gewoon uit andermans box of kinderwagen grist). Ze krijgt het verdrietigste kleintje nog aan het lachen. Elke baby valt op haar schoot meteen in slaap. Ook bladert ze verrukt door babyalbums en roept bij elke foto oh en ah. Toen mijn zoon net was geboren, kwam ze drie avonden bij me logeren om me door de eerste nachten te helpen. Vrijwillig.
 

Niks met baby's

Zelf heb ik dus helemaal niks met baby’s. Maar echt. Zal wel een teveel aan mannelijke hormonen zijn. Ik ben namelijk stapel op voetbal en Formule 1 en net als de meeste mannen vind ik kinderen pas lollig vanaf pakweg anderhalf jaar. Als ze kunnen lopen en een beetje praten. Eerder kan ik er gewoon niks mee en vind ik het een opgave ze op schoot te nemen of de fles te geven.

Voordat ik moeder was, kon ik nog wegkomen met een dom grapje: ‘Nee joh, straks laat ik het vallen of breekt er een armpje af, haha.’ Maar sinds ik zelf heb gebaard vertrouwen moeders mij trouwhartig hun larfjes toe. Ik kom niet meer weg met een smoes, ik krijg ze automatisch toegestopt. Overigens snappen die baby’s dat ik er niet veel mee kan, want ze zetten het bij mij onmiddellijk op een brullen.
 

Gave

Er zijn heus wel kinderen die ik kan verdragen en leuk vind. Kinderen die van hun ouders redelijk ouderwetse gedragsregels hebben geleerd of die van zichzelf erg grappig, voorkomend en innemend zijn. Maar dat zijn niet per se Callums beste vrienden. Helaas heeft hij de gave maten te kiezen die snel op mijn irritatielevel zitten.

Callum mag natuurlijk zijn eigen vriendschappen sluiten, zelfs met jongens en meiden die zijn moeder niet pruimt. Maar dat betekent niet dat ik hem niet een beetje kan sturen. Zo zijn er twee buurjongens die elke zin met een scheldwoord larderen. Ik heb ze al twee keer boos van de trampoline gestuurd omdat ze het leuk vonden non-stop ‘je bent een vieze homo’ te zingen.
 

'Dol op hun moeder, niet op die van een ander'

De eerste keer heb ik keurig uitgelegd dat artikel 1: gij zult niet discrimineren ook en vooral in mijn tuin gold. Maar toen ik niet lang daarna weer ‘homo, flikker en mietje’ uit hun monden hoorde, stormde ik naar buiten om met íets meer volume en agressie te zeggen dat een volgende keer dat ik zo’n uitspraak hoor, ze nooit meer een voet in de tuin mogen zetten. Daarmee won ik niet de wedstrijd van ‘coolste moeder’. De broertjes kijken me sindsdien doodsbang aan en vermoeden dat ik ze de volgende keer in mijn kelder verstop. Ach, voor hen zal ook gelden: dol op hun moeder, niet op die van een ander.
 

Dit artikel heeft eerder in Kek Mama gestaan.

 

 


Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

niet vertellen over kinderen opvoeden
Beeld: Unsplash

Wat zijn de belangrijkste dingen die jij nooit hebt gehoord over het krijgen van kinderen, maar je wel graag had willen weten? Buzzfeed heeft een aantal van de beste antwoorden.

1. Volwassenen zijn grote kinderen

via GIPHY

"Volwassenen zijn grote kinderen. We hebben dezelfde basiseisen en vaak ook dezelfde problemen. Als we niet genoeg eten, slaap of gezonde relaties hebben worden we moe, geïrriteerd en boos. Dat kan gaan van een licht humeur tot een woedestorm compleet met schreeuwen, vechten of zelfs fysiek geweld." — Brian Knapp

 

2. Veel, heel veel saaie taken

via GIPHY

"Veters strikken, het verdomde 'Little Green Frog'-liedje 50 keer zingen, in je hoofd bijhouden wat je kind heeft gegeten om te bepalen of de volgende maaltijd rijk aan proteïne of vetten of vezels moet zijn en elke keer glimlachen als je kind de kamer inloopt, zelfs als je een moord zou plegen om vijf minuten alleen te zijn. Jup, deze mensen verdienen een onderscheiding voor doorzettingsvermogen." — Imogen Moore

 

3. Een kleuter is net een slordige huisgenoot

via GIPHY

"Het ene moment geniet je van elkaars gezelschap, kaarten, grappige kattenvideo's kijken op YouTube, gewoon een beetje hangen — dan ga je naar de badkamer om tandpasta over de hele wastafel en handdoek te vinden. Dan sta je in de deuropening, schreeuwend: 'Er zit tandpasta overal! Ruim eens op nadat je je tanden hebt gepoetst!' Je nieuwe huisgenoot komt grinnikend de hal in. 'Sorry, ik liet mijn tandenborstel vallen nadat ik er tandpasta op had gedaan en toen ben ik het vergeten.' Je lacht, maar de volgende dag gebeurt weer hetzelfde." — Tamara Troup

 

4. Terwijl je kind opgroeit ga je de persoon missen die hij/zij was

via GIPHY

"Waar is die driejarige die op schoot kroop om boeken te lezen en de oprit versierde met kunstwerken van krijt? Waar is die tienjarige die in volledige stilte elke nacht uren zat te tekenen? Waar is die grappige veertienjarige die hilarische verhalen vertelde over zijn dag, elke dag? Ze zijn weg, voor altijd." — Jessica Margolin

 

5. Kinderen leren jou net zoveel

via GIPHY

"Je hebt niet alleen kinderen — kinderen hebben jou. Ze hebben je in de palm van hun kleine handjes, om te kneden en je net zoveel te leren als andersom. Zij zijn niet de enige die aan het groeien zijn." — Jeff Darcy


Lees ook
7 dingen die ik moeilijk vind aan opvoeden >


 

6. Het is heel moeilijk om te slapen 'als de baby slaapt'

via GIPHY

"Mijn dochter viel een keer in slaap terwijl ik haar aan het voeden was. Het was 2 uur 's middags en ik dacht dat ze maar vijf minuten zou slapen, dus ik ben opgestaan en heb haar daar laten liggen. Drie uur later was ze nog diep aan het slapen en waren mijn man en ik beiden uitgeput, omdat we zelf niet bij het bed konden zonder haar wakker te maken. We wisten niet of we nou moesten huilen of lachen. Ik denk dat we het allebei hebben gedaan." — Shiri Dori-Hacohen

 

7. Alles zelf uitvogelen

via GIPHY

"Je zal allerlei soorten advies tegenkomen, goed of fout, over alles dat te maken heeft met jouw kinderen. Maar toch moet je het allemaal zelf uitvogelen - ondanks dat mensen kinderen hebben grootgebracht sinds het menselijk ras is geëvolueerd." — Scott Stirling

 

8. Je kan nooit genoeg geduld hebben

via GIPHY

"Ik dacht altijd dat ik meer geduld had dan andere familieleden en dat dit een voordeel zou zijn bij het opvoeden van een kind. Het is nuttig, maar het is alsnog niet genoeg." — Roy Ronalds

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >