Beeld: Getty
Beeld: Getty

Er zijn maar weinig mailtjes waar Kek Mama’s Jorinde (40) zo onrustig van wordt, als die van de juf van groep 7. Daarom: 32 dingen die je denkt als je op het matje – eh, schoolgesprek moet komen.

  1. Wat heb ik… Ik bedoel: wat heeft mijn kind nú weer gedaan?!
     
  2. God, hij heeft toch niet iets echt verschrikkelijks uitgevreten, hè. De klassengoudvis verzopen of met watervaste marker iets goors op het smartboard gekalkt ofzo.
     
  3. Of iets gevaarlijks. Zoals uit de verfpot gegeten of een dodemanssprong uit het raam gemaakt.
     
  4. Moet ik straks ook nog door naar het ziekenhuis. Wat natuurlijk vreselijk zou zijn, maar ik loop al zo achter met mijn deadlines.
     
  5. Nou, dan wachten ze maar even op het werk: één gekrenkte haar bij mijn kind en ik laat echt alles vallen. Ze deden het ooit zonder mij, dat komt nu ook vast goed.
     
  6. Wacht, misschien gaat het wel over zijn schoolprestaties. Haalt ‘ie alleen maar enen en heb ik dat gewoon totáál gemist als moeder.
     
  7. Voelt ‘ie zich doodongelukkig. Ontwikkelt hij een totaal gebrek aan eigenwaarde en zelfvertrouwen en komt dat allemaal doordat ik met oogkleppen op allerlei succesverhalen op hem projecteerde.
     
  8. Nee, onmogelijk. Eerder het omgekeerde. Hij is vast slim voor zijn leeftijd. Moet ‘ie een klas overslaan (dat nooit meer nadat ik dat met de goddank goed opgedroogde oudste probeerde) en ingewikkelde, aparte lesprogramma’s volgen enzo.
     
  9. Ik bedoel: hij leest ook voor zijn lol ‘Het heelal’ van Stephen Hawking. Voor kinderen, van zijn leeftijd ook nog, maar toch.
     
  10. En ík snap dus echt he-le-maal niks van wis- of natuurkunde.
     
  11. Kan ik de helft van mijn baan wel opdoeken. Omdat ik behalve een brugklasser, ook nog een genie moet begeleiden bij stapels huiswerk na schooltijd.
     
  12. O, en heb ik die hele ontwikkeling dus óók al gemist.
     
  13. Denkt de juf straks dat ik mijn kind compleet verwaarloos.
     
  14. Of dat ik zelf niet helemaal bij de pinken ben.
     
  15. Nee, óók onmogelijk. Hij kan nog niet eens normaal zijn veters strikken. En hij gelooft pas sinds een jaar niet meer in Sinterklaas.
     
  16. Ja doei. Waar loop ik me in hemelsnaam druk om te maken. Ik zal zelf toch wel weten hoe het met mijn kind gaat, zeg. Alsof zij dat weet, drie weken nadat het schooljaar is begonnen.
     
  17. Als ze maar niet denkt dat ze mij kan vertellen hoe ik mijn kind moet opvoeden!
     
  18. Wat nou als ‘ie verhalen heeft lopen fabriceren? Dat zijn ouders altijd ruzie hebben, zijn overgrootopa dood is, of de hond weggelopen?
     
  19. Ik bedoel: hij heeft wel míj als moeder, die fantasie zit er tegen wil en dank in gebakken.
     
  20. Hij heeft vast niet gevochten. Uitgesloten. Drie turven hoog en een vlieggewicht: iedereen vraagt zich af wat mijn zesjarige doet in groep 7. Ook al is ‘ie natuurlijk gewoon negen – bijna tien.
     
  21. Al vergeet ik dat ook weleens wanneer ik een shirt in maat 134 afreken, dat thuis aan de grote kant blijkt.
     
  22. Mijn hemel, straks is ‘ie in elkaar geslagen, mijn hartenlapje. Juist omdát hij zo klein is. En de jongste. En kwetsbaar. En geen voetballer, zoals de rest van dat gajes dat hem heeft aangeraakt.
     
  23. Echt, ik grijp ze en smijt ze zo in het speelgoedhok. Dat zal ze léren, die uit de kluiten gewassen straatschoffies.
     
  24. Hoewel, dat hebben zijn vaste matties dan vast al wel vóór mij gedaan. Vriendjes heeft hij wel, die driftkop van me. Onvoorstelbaar, eigenlijk. Soms dan, bedoel ik. Wanneer hij weer eens woest tegen zijn kamerdeur ligt te trappen omdat hij het echt beláchelijk vindt dat school om half negen al begint. En spijkerbroeken knoopsluitingen hebben. Of er smeerworst in plaats van pindakaas op zijn boterham zit.
     
  25. Kijk, dit had mijn moeder nou dus nooit vroeger, met twee dochters. Bovendien waren mijn zusje en ik ontzettend braaf.
     
  26. En ADHD, hoogbegaafdheid en rugzakjes bestonden toen nog helemaal niet. Je was gewoon superslim of oliedom, en als je er precies tussen zat, zoals ik, dan merkte gewoon niemand je op. Fantastisch was dat.
     
  27. Wat ze ook zegt: ik accepteer geen enkele diagnose. Als iets niet lekker loopt, zoek ik mijn eigen hulptroepen wel op.
     
  28. Arme juf: zo schijnen dus alle ouders te zijn, tegenwoordig. Eigenwijs, betweterig en respectloos.
     
  29. Misschien moet ik haar gewoon eerst even rustig aanhoren. Laat ik er daarna wel mijn eigen gedachten op los.
     

  30.  
  31. “Goedemiddag, juf, goed dat je even belde. Wat zeg je? Een kennismakingsgesprekje vanwege het nieuwe schooljaar?”
     
  32. “Ja, nee, túúrlijk, énig idee. Ik had niets anders verwacht.”
nipt-zwangere-vrouwen

Door de NIPT kun je tijdens je zwangerschap zien hoe groot de kans is dat jouw baby het down-, edwards- of parausyndroom heeft. Maar hoe werkt zo'n test precies? Wanneer kun je 'm doen? En wordt-ie ook vergoed? Wij zochten het voor je uit. 

Want waar de test lange tijd alleen beschikbaar was voor zwangeren met een verhoogde kans op een kind met een chromosoomafwijking, mag sinds april 2017 iedere vrouw er gebruik van maken. Als je er behoefte aan hebt, dan. En als je betaalt, want vrijwillige deelname kost € 175 en wordt niet vergoed door de zorgverzekering.

 

DNA

NIPT betekent 'Niet-Invasieve Prenatale Test' en is een onderzoek dat bestaat uit het afnemen van een paar buisjes bloed. Hierin zit erfelijk materiaal (DNA) van de placenta dat bijna altijd hetzelfde is als dat van je kind. Zo kan het laboratorium dus, veilig én zonder het risico op een miskraam, onderzoeken of jouw baby het down-, edwards- of patausyndroom heeft. Wel goed om te weten: je kunt de test pas laten doen vanaf elf weken zwangerschap. 

 

Nevenbevindingen

Het laboratorium kan terwijl ze de NIPT uitvoeren ook zien of je kind andere (zeldzame) chromosoomafwijkingen heeft: die worden nevenbevindingen genoemd. Je mag zelf beslissen of je deze wilt weten en kunt dan ook kiezen uit twee mogelijkheden:

  1. Je wilt je kind alleen laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom. Het laboratorium weet dan ook niet of er nevenbevindingen zijn.
  2. Je wilt je kind laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom én je wil weten of het laboratorium nevenbevindingen heeft gevonden.

 

Lees ook
Extreme zwangerschapsmisselijkheid: ‘Zelfs een slokje water kwam er meteen weer uit’ >

 

Uitslagen

Na tien dagen krijg je de uitslag van je gynaecoloog of verloskundige. Als je ervoor hebt gekozen ook nevenbevindingen te willen horen en het laboratorium heeft deze gevonden, dan word je meestal gebeld door het Centrum voor Prenatale Diagnostiek of een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis. De uitslagen die je kunt krijgen zijn: 

 

‘U bent waarschijnlijk niet zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

Deze uitslag klopt bijna altijd: minder dan één op de duizend zwangere vrouwen blijkt achteraf toch zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom. Bij deze uitslag krijg je geen vervolgonderzoek.

 

‘U bent mogelijk zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

  • Bij 75 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met downsyndroom, klopt dat inderdaad; 25 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met downsyndroom.
  • Bij 24 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met edwardssyndroom, klopt dit inderdaad; 76 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met edwardssyndroom.
  • Bij 23 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met patausyndroom, klopt dit inderdaad; 77 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met patausyndroom.

Als je echt zekerheid wilt hebben, kun je alsnog een vlokkentest of vruchtwateronderzoek laten doen.

 

‘Er is een nevenbevinding gevonden.’

Je krijgt dan uitleg over wat precies er is gevonden en wat dit mogelijk voor jou en/of voor je kind betekent. Je krijgt hiervoor een uitnodiging voor een gesprek op een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis, waarin je meer informatie over de nevenbevinding krijgt en wat de mogelijkheden zijn.

 

‘Er is geen nevenbevinding gevonden.’

Als er in de uitslag niets staat over nevenbevindingen, dan betekent dit dat er ook geen nevenbevindingen zijn gevonden.

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >
longontsteking-kinderen-symptomen-behandeling

In Nederland krijgen elk jaar gemiddeld 25.000 kinderen een longontsteking. Vaak is die na een week of twee wel genezen, maar het kan ook maanden duren voordat een kind weer de oude is.

'Op tijd behandelen voorkomt erger', zegt Michael Rutgers, directeur van het Longfonds. In onderstaande antwoorden lees je hoe.

 

Wat is een longontsteking? 

Longontsteking is een ontsteking van de longen door een virus of bacterie en komt bij kinderen redelijk vaak voor. De kans om het te krijgen is het grootst bij baby's jonger dan één jaar, omdat hun afweer nog in ontwikkeling is. Zowel één als beide longen kunnen ontstoken zijn: wanneer beide longen ontstoken zijn, spreek je van een dubbele longontsteking.

 

Wat is de oorzaak? 

Meestal een virus of bacterie. Een gewone griep of verkoudheid, bijvoorbeeld. Tegenwoordig worden kinderen op het consultatiebureau ingeënt voor de pneumokokken bacterie. Hierdoor is de kans op een longontsteking door deze bacterie veel kleiner geworden. Wel heeft je kind meer kans op een longontsteking als hij een afweerstoornis, cystic fibrosis, PCD, een ontwikkelingsachterstand of last van spierzwakte heeft.

Oh, en dat je ziek kunt worden van kou is trouwens een fabel: virussen en bacteriën zijn altijd actief, of het nu warm of koud is, maar in de wintermaanden zitten we veel meer binnen (met ramen gesloten) en dichter op elkaar. De kans dat virussen aan elkaar worden overdragen, is daardoor groter.

 

Lees ook
VIDEO: dit is het verschil tussen griep en verkoudheid >

 

Wat zijn de symptomen? 

Eigenlijk krijgen kinderen vergelijkbare klachten als bij griep, maar dan een tikkie heftiger. Een paar voorbeelden: benauwd, kortademig, ophoesten van slijm (soms met wat bloed), moe, rillen en koorts.

 

Hoe behandel je een longontsteking?

Vermoed je dat je kind een longontsteking heeft, neem dan contact op met de huisarts. In de meeste gevallen schrijft hij of zij dan een antibioticakuur voor. Althans, als de oorzaak een bacteriële infectie is. Aan een virale infectie kan de huisarts weinig doen en dan is het een kwestie van uitzieken. Bij koorts of pijn mag je doorgaans gerust een pijnstiller geven.

Zijn de klachten na drie dagen antibiotica nog niet minder of wordt je kind steeds zieker? Bel dan de huisarts nog een keer. Bij een ernstige longontsteking wordt een kind opgenomen in het ziekenhuis. Daar krijgt-ie een hogere dosis antibiotica toegediend via pillen of een infuus.

 

Wat kun je zelf doen?

De kuur afmaken, je kind goed laten uitrusten én veel laten drinken: voor baby's tot zes maanden geldt ongeveer 150 ml per kilo lichaamsgewicht per dag, borstvoeding kan op verzoek. Baby's van zes maanden en ouder hebben per dag ongeveer 100 ml nodig per kilo lichaamsgewicht. Kinderen vanaf één jaar zes tot zeven bekertjes per dag van ongeveer 75 ml. Gaat drinken moeizaam? Probeer eens thee zonder suiker, diksap of dunne pap - dan krijgen ze toch het nodige vocht binnen.

 

Bron: Longfonds

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >