Suzan en Freek nemen groots besluit omtrent zoontje Sef: ‘Lijkt me bijzonder’
Tien keer de GelreDome uitverkocht krijgen is niet zomaar een prestatie, maar voor Suzan en Freek is het inmiddels realiteit.
Beeld: Canva
Je kind serveert je een onzichtbaar kopje thee en verwacht dat je serieus een slok neemt. Of de bank blijkt ineens een piratenschip.
Licht vermoeiend soms, maar stiekem gebeurt hier iets best bijzonders.
Kinderen hebben een enorme verbeeldingskracht en gebruiken die om stenen in ruimteschepen te veranderen, tafels in forten of pennen in feeënstokken. Ze doen alsof ze mama zijn of avondeten koken. Of ze verzinnen hun eigen personages, werelden en ideeën die niets te maken hebben met wat volwassenen bedenken.
De vaardigheid om doen-alsofspel ontstaat meestal rond de leeftijd van vijftien tot achttien maanden. Rond de twintig maanden beginnen kinderen het dagelijks leven na te bootsen. Tegen de tijd dat ze vier of vijf zijn, wordt het spel complexer en spelen ze samen met anderen en kruipen ze in verschillende rollen.
Maar naast dat het bij de ontwikkeling hoort heeft het nog andere voordelen? Het onderzoek suggereert dat doen-alsofspel ook kan bijdragen aan de mentale gezondheid.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft ongeveer één op de zeven kinderen en jongeren te maken met mentale gezondheidsproblemen. De meeste interventies richten zich pas op problemen als ze al zijn ontstaan, en minder op de ontwikkeling die problemen juist kan voorkomen.
In het onderzoek analyseerden ze gegevens van meer dan 1.400 Australische kinderen die deelnamen aan een langlopend onderzoek. Hun vermogen tot doen-alsofspel werd gedurende een jaar beoordeeld door pedagogisch medewerkers, toen de kinderen tussen de twee en drie jaar oud waren. Daarbij werd gekeken naar hoe goed een kind:
De mentale gezondheid werd later gemeten via rapportages van ouders en begeleiders, toen de kinderen vier tot vijf jaar waren en opnieuw op zes- tot zevenjarige leeftijd.
Kinderen van twee en drie jaar die beter waren in doen-alsofspel, hadden later minder emotionele en gedragsproblemen. Denk aan veel piekeren of vaak driftbuien hebben. Dit resultaat bleef bestaan, ook als rekening werd gehouden met factoren zoals sociaaleconomische achtergrond, de mentale gezondheid van de moeder, taalvaardigheid en de band met ouders.
Emotieregulatie, het vermogen om met emoties om te gaan, hangt samen met mentale gezondheid. Er werd gedacht dat kinderen die beter zijn in fantasiespel ook beter emoties leren reguleren. Maar in het onderzoek vonden ze geen direct verband tussen fantasiespel, emotieregulatie en latere mentale gezondheid. Dat betekent dat er waarschijnlijk andere, minder goed begrepen ontwikkelingsprocessen meespelen.
Eén mogelijke verklaring is belichaamde cognitie: het idee dat denken niet alleen in je hoofd gebeurt, maar ook via je lichaam en hoe je je door de wereld beweegt. Bijvoorbeeld: als kinderen leren tellen met hun vingers helpt die fysieke handeling bij het begrijpen van het concept. Op dezelfde manier helpen spelen, fantaseren en dingen uitbeelden kinderen om te leren denken, voelen en reageren – wat mogelijk bijdraagt aan een betere mentale gezondheid.
Ben je trouwens benieuwd met welk speelgoed spelen leuk en leerzaam wordt? Je leest het hier.
Beluister onze nieuwste podcast-aflevering hieronder!
Bron: Australian Government