oordelen moeders
Beeld: Pexels

Kun je die jongen niet opvoeden? Spoort-ie wel? Moet-ie geen pilletje? Het is al ingewikkeld een kind te hebben dat anders is, maar de stomme opmerkingen van andere moeders maken het er niet makkelijker op.

“Of ik weleens van een wortel had gehoord, vroeg een moeder me plompverloren.” Marianne zat met haar negenjarige dochter Romy op een terras toen een onbekende vrouw haar aansprak. “Het was lunchtijd, iedereen zat met een patatje of broodje Unox. Ik wilde net mijn van huis meegenomen bakjes komkommer, gortsalade en snoeptomaten tevoorschijn halen. Want ja: Romy heeft obesitas. En ja: ze at op dat moment een hapje van de kroket die we samen deelden. Het was haar enige eetzonde die maand. Verder staat ze op rantsoen, onder strikte begeleiding van een diëtist. En een psycholoog.
 

Loeiharde oordelen

Ik was met stomheid geslagen. Heel even dan, want inmiddels ben ik wel gewend dat mensen over ons praten. Maar de brutaliteit blijft me verbazen. ‘Kijk eens hoe dik ze is’, hoor ik mensen fluisteren. Gevolgd door: ‘Ssst, weet jij veel, misschien is dat kind wel ziek.’ En: ‘Welnee joh, kijk dan, haar moeder is net zo.’ Zulke oordelen komen loeihard aan. Zeker omdat ons hele leven draait om het eetprobleem van Romy. Er is geen moment dat ik er niet mee bezig ben.
 

Sloffen volgepropt met winegums

Als ze bij een vriendinnetje speelt, vraag ik de ouders of ze alsjeblieft geen snoep willen geven. Ze is weleens thuisgekomen van een slaapfeestje met sloffen die ze tot de nok toe had volgepropt met winegums. Het halve kroketje op het vakantie-evenement was het eerste wat ze snoepte in weken. En nog werd ik er keihard op afgerekend.

Het idiote is dat de gemiddelde bemoeial het meestal ook niet zo lekker voor elkaar heeft. Hebben ze een mening over mijn dochter, maar zit hun eigen kind de godganse tijd op de iPad. Of duwt het andere kinderen hardhandig aan de kant terwijl die moeder staat te schreeuwen.”
 

Alleen maar boze moeders aan mijn tafeltje

Astrid weet er alles van. Haar zoon Simon is tien jaar en sinds een jaar gediagnostiseerd met ADHD. Astrid: “Je zou denken dat mensen dat op kilometers afstand herkennen, maar ho maar. Laat ik hem een ochtend los in het speelparadijs, heb ik alleen maar boze moeders aan mijn tafeltje. Heeft-ie weer een kind een bloedneus geslagen. Of zelf een smak gemaakt omdat hij zonder kijken aan de verkeerde kant van de klimtoren sprong. Dan schaam ik me diep en bied ik nederig mijn excuses aan, terwijl ik ondertussen denk: je moest eens weten hoe het thuis gaat. De zakdoeken zijn niet aan te slepen: er is er altijd wel een broertje in tranen vanwege Simon. In zo’n ballenbak is-ie nog relatief goed te hanteren omdat hij daar kan uitrazen.
 

'In werkelijkheid is hij een hoopje ellende'

Natuurlijk snap ik dat mijn zoon anderen tot last is. “Waarom denk je dat we hem hebben laten onderzoeken? Op schooldagen geven we hem Ritalin. Dat is wel zo prettig voor hem omdat hij zich dan een beetje kan concentreren in de klas en niet alle kanten op stuitert. Hij komt op vreemden over als een rotkind dat willens en wetens de boel sloopt, kinderen pijn doet en niet luistert. In werkelijkheid is hij een hoopje ellende. Simon realiseert zich dondersgoed dat hij anders is en is daar elke dag verdrietig om.

Toch kiezen we ervoor hem in de weekends en vakanties geen Ritalin te geven. Dan slaapt hij weer een paar nachten rustig, want mét die pillen staart hij tot twaalf uur ’s nachts naar het plafond. Bovendien wil ik niet dat hij zijn hele jeugd gedempt en verdoofd beleeft. Geen Ritalin, dat betekent dat hij in het weekend nooit rustig op de bank zit met een boekje, zoals zijn broertjes. Geen uren met Lego speelt. En thuiskomt van het buitenspelen met kapotte of natte kleren. Is-ie weer aan een veel te dunne tak boven een sloot gaan hangen. Of erger: hij komt thuis aan de hand van een ouder of politieagent. Heeft-ie als een dolle met pvc-buizen lopen gooien.”
 

'Moet dat kind geen pilletje?'

Dat zoveel kinderen lijden aan ADHD, en het gebruik van medicatie in tien jaar is verviervoudigd, maakt het er voor Astrid niet makkelijker op. “Het is gemeengoed geworden. Bij elke onnadenkende actie van Simon, krijg ik te horen: ‘Moet dat kind geen pilletje?’ Terwijl ik dan denk: ik vel toch ook geen oordeel over jouw zoon of dochter?”
 

'Spoort hij wel?'

Simones zevenjarige zoon Sem heeft dyslexie. Daar bezorgt hij anderen misschien geen overlast mee, maar commentaar krijg je evengoed. Simone: “‘Spoort hij wel?’, vroeg een serveerster toen Sem nogal onduidelijk om een ‘trassiepannenkoek’ vroeg. Echt: letterlijk díe woorden. Spoort. Hij. Wel.

Sem is groot voor zijn leeftijd. Zijn taal- en spraakontwikkeling zijn niet hoe ze moeten zijn. Hij loopt bij de logopedist zodat hij duidelijker leert praten. Hij bedoelde natuurlijk een smartiepannenkoek. Er zijn wel meer kinderen van zeven die dat woord nog niet kunnen lezen, maar hij lijkt jaren ouder. En dan draagt hij ook nog een brilletje met dikke plusglazen. Sporen doet hij zeker: hij rekent als de beste. Naar dat pannenkoekenrestaurant zijn we nooit meer terug geweest, al heb ik tot op de dag van vandaag spijt dat ik die botte serveerster geen weerwoord heb gegeven.”
 

Lees ook
Waarom je nooit over een (andere) moeder mag oordelen >

 

Verstopt in de wereld van Minecraft

Milan was tien toen hij de diagnose Asperger kreeg, een vorm van autisme. Zijn moeder Talitha is gescheiden van zijn vader. Talitha: “Inmiddels is Milan twaalf en tegen alle verwachtingen in, doet hij het geweldig. Zijn pre-advies voor de middelbare school is havo, hij is dol op koken, en kan dat ook goed. Alleen: Milan maakt moeilijk contact met anderen. Heeft geen vrienden en vat elk grapje letterlijk op. Empathisch vermogen heeft hij nauwelijks. Dat maakt de wereld voor hem complex en vaak beangstigend. Verjaardagen en etentjes met vrienden zijn een crime: hij overziet die drukte niet. Het liefst verschuilt hij zich dagenlang achter zijn computer, verstopt in de wereld van Minecraft. Hartverscheurend om te aanschouwen, maar hij voelt zich
er relatief gelukkig bij.
 

'Als hij meegaat, haken wij af'

Hoe ouder Milan wordt, hoe duidelijker de Asperger. Op andere mensen kan hij overkomen als egoïstisch en asociaal, simpelweg omdat hij geen contact aangaat en primair vanuit zichzelf denkt. Hij kan niet anders, maar gooi daar wat prepuberale hormonen overheen, en hij lijkt onhandelbaar. We gaan al sinds de kinderen kunnen lopen elk jaar skiën met vrienden, maar toen we dit jaar wilden boeken, zei mijn vriendin: ‘Milan gaat dit jaar toch wel naar zijn vader hè? Want als hij meegaat, haken wij af. Mijn kinderen trekken hem echt niet meer.’

Een hardere klap in mijn gezicht had ik niet kunnen krijgen. Juist zij weet hoe ik worstel. Hoe Milan ondanks zijn autisme, zo hard probeert mee te doen. Skiën, lekker buiten bezig zijn met zijn verstand op nul, is zo ontzettend goed voor hem. Maar zij maakt zich zorgen dat hij in zijn eentje de snoepvoorraad opeet en dat haar kinderen daar niet tegen kunnen.
 

'Kun je dat kind niet opvoeden?'

Dat onbekenden hem afrekenen op zijn gedrag komt minder hard aan, maar doet evengoed pijn. Dan kreeg hij als jongetje van acht een koekje bij de bakker, en durfde hij geen oogcontact te maken en te bedanken. Of hij schreeuwde keihard dat hij geen koekje wilde. Dan hóórde ik iedereen in de winkel denken: kun je dat kind niet opvoeden?”
 

Rummicub-talent

Zo’n 43.000 kinderen van vier tot twaalf hebben een autistische of aanverwante stoornis. De meeste kinderen bij wie het wordt vastgesteld, zijn tien jaar of ouder. “Gelukkig waren wij er vroeg bij”, zegt Talitha. “Daardoor kon ik snel hulp inschakelen. Helaas zullen Milan en ik de rest van ons leven moeten omgaan met de vooroordelen. Maar we gaan dit jaar skiën met een andere vriendin. Haar kinderen verheugen zich nu op Milans Rummicub-talent.”
 

Glazen kooi

Robin (9), de dochter van Brigitte, heeft een ontwikkelingsachterstand. “Als baby staarde ze urenlang wezenloos voor zich uit en toen ze een jaar of drie, vier was, konden we moeilijk contact met haar krijgen. Het leek wel of ze zat opgesloten in een glazen kooi en ze ons niet kon horen. Nu zit ze op het speciaal onderwijs. Het is de vraag of ze ooit echt zelfstandig zal kunnen wonen. Dat haar broertje van zeven heel slim is, lijkt haar niet te deren. Ze wil later dierenverzorgster worden in het asiel. Met een beetje hulp zal ze dat waarschijnlijk best kunnen.
 

'Jij en je man zijn nog wel zo slim'

De buitenwereld heeft het er maar lastig mee. ‘Ik snap het niet’, zei een moeder. ‘Jij en je man zijn nog wel zo slim.’ Ja, daar heeft het dus niks mee te maken. Maar echt pijn deed de opmerking van mijn schoonzusje die nota bene psychologie heeft gestudeerd. Zij sprak de legendarische woorden: ‘Haar broertje is toch wel gewoon gelukt?’ Is ze helemaal gek geworden? Robin is niet mislukt: haar hoofd werkt gewoon anders. Dan gaat ze toch lekker haar hele leven honden en poezen borstelen? Als ze maar gelukkig wordt. Met domme psychologen dempen we de gracht.”

 

Dit artikel staat in Kek Mama magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

minder clubjes
Beeld: Unsplash

De hele week zie je moeders verwilderd rondrijden van gitaarles naar toneel, van voetbaltraining naar ballet. Alsof ze potdorie niks beters te doen hebben. “Mag het alsjeblieft een clubje minder?”

Nee, ik kan niet met je afspreken op woensdagmiddag. Op woensdag ben ik namelijk taxichauffeur. Zodra de lunch achter de kiezen is, bevind ik me in de auto. Volgeladen met mijn kinderen – en vaak met een handvol andere. Nauwkeurig leg ik de te rijden route af en bij elk clubje worden mijn kinderen met open armen ontvangen: “Wat fijn dat je er weer bent!” (Geen woord voor de chauffeur, die niet alleen zorgt dat die kinderen er zijn, maar ook nog eens al die clubjes betaalt.)

Een middag lang rijd ik door de stad. Voorzichtig, zonder overtredingen en zorgvuldig alle knel- en knooppunten vermijdend, zoals een goede chauffeur betaamt. Zo’n taxirit is logistiek een hele uitdaging. Het ene kind moet naar de tennisbaan, nummer twee tien minuten later bij de gitaarleraar afgezet aan de andere kant van de stad. Dan de hele goegemeente in omgekeerde volgorde ophalen en bij respectievelijk voetbal en dansen afzetten. Om daarna een kind alvast naar huis te brengen en met de ander nog even door te rijden naar de pianojuf.
 

Resoluut

Kan het niet een clubje minder, zegt u nu. Ja, dat vraag ik mezelf ook weleens af. Maar mijn kinderen vinden alles zo leuk. En ik vind het dan weer leuk dat zij dat zo leuk vinden. Laat er een psych op los en die zal ongetwijfeld het gemis aan al deze geneugten in mijn eigen jeugd naar voren schuiven. Ik heb een heerlijke kindertijd gehad, maar mijn moeder was wat clubjes betrof redelijk resoluut. Eén sport is genoeg.
 

Eigen schuld

Ik zou haar advies ter harte moeten nemen. Want hoewel ik het belangrijk vind dat mijn kinderen plezier hebben, zit ik niet bepaald op dit taxibaantje te wachten. En dan moet je weten dat ik niet alleen woensdagmiddag chauffeur ben, maar ook maandagmiddag en zaterdagochtend. Mijn eigen schuld. Ik zeg immers ja op het moment dat een nieuw clubje zich aandient en een van mijn kinderen met smekende ogen voor me staat. Terwijl ik heel goed weet dat een nieuwe bezigheid in de praktijk betekent dat ze moeten worden gebracht en gehaald. En toch geef ik toe. Omdat ze er zo veel plezier in hebben, omdat het goed voor ze is, omdat ze er veel van leren. Zij blij, ik blij. Tot het moment van halen en brengen zich aandient. Zit ik wéér in die auto.
 

Sociale bezigheid

Wat ook meespeelt, is dat al hun vriendjes eveneens op die clubjes zitten. Een vraag of ze een nieuwe sport mogen beoefenen of op een of andere knutselcursus mogen eindigt steevast met de mededeling dat Pietje, Kees en Truus het ook doen. Waardoor het naast een sportieve en creatieve uiting ook nog eens een sociaal gebeuren is. En wie ben ik dan om mijn kinderen daar niet aan te laten deelnemen? Komt bij dat ik in een stad woon met een zeer groot verenigingsgebeuren. Noem een sport of bezigheid en er zit hier een club aan vast. Die onderling alle trainings- en wedstrijddagen op elkaar lijken te hebben afgestemd. Een nieuwe vis in de vijver? Alles schuift en verschuift en hup, weer een gat waar getraind of bijeengekomen kan worden.
 

Lees ook
Sara's editorial: clubjes >

 

Zelf dingen ondernemen

Vriendin K. geeft minder makkelijk toe. Ze heeft twee jongens en een drukke baan. Haar vrije woensdagmiddag heeft ze nodig om ook een beetje aan zichzelf toe te komen. Haar kinderen doen dus niks. Nou ja, niks, ze vermaken zich prima. “Kinderen moeten al zoveel, hoe heerlijk is het als je een hele lange middag voor je hebt waarin je kunt doen wat je wilt?” Volgens haar zorgt het hebben van niet al te veel verplichtingen ervoor dat haar kinderen gestimuleerd worden zelf dingen te ondernemen. Dingen die niet voor hen zijn bedacht in de vorm van hockey, tennis, timmeren, of toneelles, maar die ze zelf bedenken.
 

Langs de lijn staan

Ze maakt zich geen zorgen of haar kinderen buiten de groep vallen. “Ze hebben vriendjes genoeg. Juist omdat mijn kinderen bijna altijd kunnen afspreken.” Ook de sociale druk om langs de lijn te staan voelt ze niet. Ik zelf sta – niet altijd met evenveel zin, want meestal op onmogelijke tijden – best vaak naar de sportprestaties van mijn kinderen te kijken. Diep in mijn hart zou ik graag eens een zaterdagochtend met een pot koffie en een stapel weekendkranten willen doorbrengen. Maar de druk om langs die lijn te gaan staan is groot. Ouders rekenen elkaar daar nogal eens op af.

De zoon van K. mocht uiteindelijk op voetbal. Voor hij zijn voetbalschoenen kreeg, legde ze hem uit dat ze niet elke week langs het voetbalveld zou staan. Iets wat door andere ouders van het team niet bepaald op prijs werd gesteld. Er wordt van je verwacht dat je bij elke prestatie van je kind aanwezig bent, of dat nu een wedstrijd, voorstelling of slechts een training is. K. voelde die keren dat ze wel kwam kijken de messteken in haar rug. “Mensen zeggen niet dat ze het stom vinden dat ik er bijna nooit ben, maar ik hoor het ze denken. In heel kleine dingen voel ik dat, een vals bijzinnetje bijvoorbeeld of het feit dat er altijd tegen me wordt gezegd dat ik zo hard werk en wel moe zal zijn.”
 

Kan-mijn-kind-meerijden

Vriendin A. heeft drie kinderen. Die allemaal minimaal twee sporten doen, een instrument bespelen en ook nog op creatieve clubjes zitten. Ze heeft haar werk zo ingericht dat ze elke dag om drie uur beschikbaar is als taxichauffeur. In tegenstelling tot K. staat A. altijd op het sportveld en zit vooraan bij elke uitvoering van haar kinderen. Last van messteken heeft zij niet, wel van de kan-mijn-kind-met-jou-meerijden-want-jij-gaat-toch-al-verzoeken. “Ze weten dat ik rij en dan is een kind of twee extra meenemen geen probleem.”
 

Eén clubje minder, graag

Mijn zoon deed in zijn hoogtijdagen drie sporten en zat ook nog op drumles. Mijn dochter deed twee sporten, zat op streetdance, musicalles en volgde een workshop tekenen. Eén clubje minder, stelde ik mijn kinderen voor. Ze schrapten ieder een clubje van hun lijst. Ze kozen, zal je net zien, de clubjes die op steenworp afstand van elkaar te vinden zijn: judo en musicalles.

Gelukkig maakt nood uiterst creatief. Ik kon overal naar toe blijven rijden, maar zoiets als gitaarles kon eigenlijk gewoon bij ons thuis. En naar tennisles kon best met het groepje vriendinnen gefietst worden. Met mijn man sprak ik af dat het ook goed is als maar een van ons bij een wedstrijd of uitvoering is. En zo ontstond er toch wat lucht. Bovendien luister ik met terugwerkende kracht naar het advies van mijn moeder. Laatst wilde mijn zoon op een verdedigingssport, een half uur rijden van ons huis. Ik gaf hem twee opties: hij kon iets zoeken op fietsafstand óf wachten tot hij achttien was en zelf zijn rijbewijs op zak had.
 

Dit artikel staat in Kek Mama magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

De juf
Beeld: Getty

Een leerkracht vertelt aan Kek Mama wat ze meemaakt. Deze keer: de overleden vader van leerling Clarissa (6).

Maandagmiddag, twee jaar geleden. De kinderen zijn naar huis en ik drink thee met collega’s. We lachen net om een voorval op het schoolplein als de conciërge binnenkomt en zegt dat Suzan me wil spreken. Ze is de moeder van mijn leerlingetje Clarissa (6). Suzan is in tranen.

Geschrokken neem ik haar mee naar een rustige kamer. Daar vertelt ze dat Clarissa’s vader de avond tevoren een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Het wordt wazig om me heen. Niet flauwvallen, denk ik. Ik zie Rob voor me, een vriendelijke, vrolijke man met lieve bruine ogen.
 

Pas twee jaar voor de klas

Ik ben 23 en sta pas twee jaar voor de klas. Suzan en Rob zijn minstens tien jaar ouder dan ik. Ik heb de dood nog nooit van nabij meegemaakt, op het bekende konijn en de goudvis na. Suzan vertelt tussen het snikken door wat er is gebeurd. Hoe depressief Rob de laatste tijd was, hoe ze een lief briefje op tafel vond, hoe ze hem heeft aangetroffen.

Ze kijkt me met wijd opengesperde ogen aan. “Hoe moet ik dit aan Clarissa vertellen?”, vraagt ze. ‘Ze weet nog van niets, ze speelt bij een vriendinnetje.” Ik kijk sprakeloos terug. Geen idee wat ik moet zeggen. Ik dreig in tranen uit te barsten als Jonathan, onze directeur, binnenkomt. Hij is gewaarschuwd door een opmerkzame collega die het gevoel heeft dat er iets helemaal mis is. Na een blik op mij vraagt Jonathan of ik thee voor ons drieën wil halen.
 

Rouwen in ladekastjes

De volgende dagen heb ik het gevoel dat ik stage loop in rouwtherapie. Ik leer dat kinderen rouwen in ladekastjes – de laatjes gaan dicht als het te veel wordt. Suzan vertelt me dat Clarissa erg huilde toen ze het nieuws hoorde, maar daarna al vrij snel vroeg of ze appelsap mocht. Na drie dagen brengt Suzan haar naar school. Ze heeft een schoenendoos bij zich die is versierd met wolkjes. Clarissa’s klasgenootjes mogen er een tekening in doen.

Rob wordt begraven op een tropisch warme dag. De hele school is aanwezig, het wordt bijna gezellig. Mensen lachen als zijn hondje op de kist springt.
 

Lees ook
Juf Julia en de overleden moeder van Mylou >

 

Dieren die misschien in de hemel zijn

Volgens Jonathan zal Clarissa zelf aangeven wat ze nodig heeft. De eerste weken wil ze vooral spelen. Maar op een dag komt ze bij me staan en zegt: “Mijn papa is dood. Ik denk dat hij in de hemel is. Zijn er vogels in de hemel?” Aarzelend zeg ik dat het goed zou kunnen. En dat ze misschien een tekening kan maken over vogels.

De volgende weken praten we op gezette tijden over welke dieren er in de hemel zouden kunnen zijn. Hamsters, hertjes, eenden, dinosaurussen? Ze tekent ze allemaal. Haar vriendinnen doen mee. Er komt een hele serie over ‘dieren die misschien in de hemel zijn’.
 

Twee jaar later

We zijn nu twee jaar verder. Het gaat goed met Clarissa. Ze zit niet meer in mijn klas. Toch komt ze af en toe met me praten over de dieren in de hemel. Ook in mijn nieuwe klas maken we een serie over dieren in de hemel. Een paar maanden geleden stierf de moeder van een van mijn leerlingen aan kanker. Ik merk dat ik het jongetje kan steunen met mijn ervaringen met Clarissa. Daardoor weet ik nu dat ook de afschuwelijkste gebeurtenissen lichtpuntjes kennen. Door de dood van Rob ben ik in één keer volwassen geworden als leerkracht.
 

Dit artikel staat in Kek Mama Magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >