Beeld: Getty
Beeld: Getty

Van de ene op de andere dag voor het kind van een ander zorgen. Deze vrouwen deden het. En nog top ook.

Danielle en Maarten zorgen voor het zoontje van Maartens neef. Bram kwam bij hen wonen toen hij net een jaar was.

“Ik was blij toen Bram bij ons kwam wonen, maar het was een ingewikkelde blijdschap. Maarten en ik hebben jarenlang tevergeefs geprobeerd zelf een kind te krijgen en die teleurstelling had ik nog niet verwerkt. Toen Bram aan ons werd toegewezen, merkte ik dat mijn oergevoel direct weer werd aangewakkerd. Eindelijk kon ik eraan toegeven.
 

‘Hallo, wij nemen alles mee!'

Brams ouders konden door allerlei problemen niet voor hem zorgen, maar wilden hem wel graag bij familie hebben. Wij waren de beste kandidaten. Ik vond het best eng: zou dat kleine jongetje zich wel aan ons kunnen hechten? Hoe voelt dat dan, als het niet je eigen kind is? Zou ik wel een goede moeder voor hem zijn? Maar goed, we gingen ervoor en een week voor zijn komst stapten Maarten en ik als een stel opgewonden jonge ouders de Prénatal binnen. We riepen vrolijk: ‘Hallo, wij nemen alles mee!’ De verkoopster keek echt stomverbaasd.

Bram werd door zijn begeleider gebracht. Ik kreeg een briefje in mijn handen gedrukt waarop stond wat hij moest eten en drinken. ‘En hij slaapt slecht’, werd er nog snel bij verteld. Dat was het. Echt heel raar, zoals dat ging. Ik was nerveus en durfde hem die eerste paar uur geen seconde alleen te laten. Ik vroeg me ook steeds af of hij het wel leuk bij ons vond. Maar het ging best goed – als ik met hem speelde moest hij zelfs af en toe lachen. We moesten wennen aan elkaar, maar het ging ook wel natuurlijk. Hij was zelfs relaxter dan ik, alsof hij aanvoelde dat dit zijn veilige, nieuwe thuis was.
 

Loslaten is wel een dingetje

Toen ik hem die eerste avond naar bed bracht, viel hij in een diepe, tevreden slaap. Ik kon het haast niet geloven, ging elk halfuur kijken of het wel goed ging. Dat hij de hele nacht doorsliep bevestigde voor mij dat we de goede beslissing hadden genomen. Bram is inmiddels een jaar bij ons en het gaat prima. We houden zoveel van hem. Alleen, mijn verantwoordelijkheidsgevoel zit me soms in de weg. Toen hij bij ons kwam wonen, stopte ik met werken om hem alle aandacht te geven die hij nodig had. Ik merk nu dat ik graag weer aan de slag wil, maar moet er niet aan denken hem naar de crèche te brengen. Het voelt zo egoïstisch. Loslaten is wel een dingetje. Laatst heeft hij voor het eerst bij mijn ouders gelogeerd. Ik kreeg een brok in mijn keel toen ik hem achter het raam zag staan zwaaien. Het is natuurlijk heel normaal dat een kind bij opa en oma logeert, misschien maakte me dat wel zo emotioneel. Dat we op dat moment een normaal gezin waren.”
 

 

Marit en Sven zorgen voor het dochtertje van Marits neef. Julia was pas acht weken oud toen ze naar hen verhuisde.

“Ik kreeg een compleet gestreste baby in mijn armen. Julia’s ogen stonden wijd open, ze huilde, ik kon de spanning in haar lichaam voelen. Mijn oerinstinct reageerde direct. Ik hield haar heel dicht tegen me aan, alsof ik haar wilde laten weten: bij ons ben je geborgen. Na een paar dagen durfde ze zich aan mijn warmte over te geven en werd het huilen minder.
 

'Het brak mijn hart: zo’n klein meisje met zo’n groot trauma'

Julia is de eerste weken van haar leven aan haar lot overgelaten. Het brak mijn hart: zo’n klein meisje met zo’n groot trauma. Hoe kun je nou niet reageren als een pasgeboren baby huilt? Het voelde ook oneerlijk. Mijn man en ik hebben jarenlang geprobeerd een kind te krijgen; Julia’s ouders hadden haar ondoordacht gekregen en niet voor hun kind gezorgd. Ik was niet trots op die gedachte hoor, want mijn neef en zijn vrouw hebben psychische problemen waar ze niks aan kunnen doen. Ik heb Julia vooral veel liefde en aandacht gegeven: kom maar hier, hier is het veilig. Ik wil zo graag dat ze gelukkig is bij ons. Medelijden heb ik natuurlijk ook. Ik zal nooit dat ene stukje voor haar kunnen oplossen – dat ze niet bij haar eigen ouders woont. Haar voogd van Jeugdzorg beslist over haar en niet ik, best vreemd vind ik dat. Ik ben nota bene de persoon die Julia het beste kent.

Julia moet elke drie weken een dag naar haar ouders. Ik snap dat het goed is dat ze contact met hen heeft, maar het is heel heftig. Na elk bezoek moet ze emotioneel een paar dagen bijkomen. Dan zit ik met een kind dat opnieuw haar draai moet vinden. Ik zie wat het met haar doet, maar mijn mening telt niet. Op papier ben ik niet haar moeder, terwijl het wel zo voelt. Dat doet pijn.”
 

 

Carina is single en zorgt voor Jorik, de zoon van haar overleden broer.

“Mijn broer zou het ook mij voor doen, denk ik als de hele situatie me te veel wordt. Hij is dood en wij moeten zorgen dat het goed komt met Jorik. Mijn broer had grote psychische problemen. Op een avond is er iets bij hem geknapt en heeft hij zelfmoord gepleegd. Zijn vrouw kon niet voor Jorik zorgen, hoezeer de hele familie haar ook probeerde te helpen. Ik vond het vanzelfsprekend dat ik mijn neefje in huis zou nemen, maar makkelijk was het
niet. Ik was nog zo verdrietig om mijn broer.

Door alle problemen met zijn vader heeft Jorik veel nare dingen meegemaakt. Je merkt dat ook aan hem. Hij heeft veel ruimte nodig, is soms heel kinderlijk en heeft last van boze buien. En nu begint hij ook nog te puberen. Al die gevoelens waarmee hij moet dealen, het is ook niet makkelijk. Hij heeft zo veel vragen over zijn vader en hoe het nu verder moet met mama. Ik geef altijd eerlijk antwoord en als ik het niet weet, zeg ik dat ook.
 

'Ik baal als zijn moeder weer eens niet komt opdagen’

Alle rompslomp eromheen is zwaar. Niet eens dat ik mijn vrije leventje heb moeten opgeven, dat gaat me makkelijk af. Ik vind het ingewikkeld dat ik ook te maken heb met Joriks moeder. Er zijn duidelijke af spraken gemaakt over hoe en wanneer hij haar ziet. Ik begrijp dat het contact belangrijk is, maar als zij niet op komt dagen of weer eens een uur te laat is, zakt de moed me weleens in de schoenen.

Ik doe mijn best Jorik een zo’n normaal mogelijk leven te geven. We hebben een planbord in de keuken hangen, eten samen, hij gaat gewoon naar school en moet zich aan de regels houden. Soms moet ik boos op hem worden, dan voel ik me altijd weer schuldig. Mijn verstand zegt dat het moet, maar gevoelsmatig wil ik alleen maar lief voor hem zijn. Ik denk weleens dat ik te veel mijn best doe. Nou ja, voorlopig redden we het prima met zijn tweetjes. Mijn neefje en ik zijn twee handen op één buik.”

Dit artikel staat in Kek Mama 13-2016.

dol op kinderen alleen mezelf
Beeld: Pixabay

Joan zegt het maar ronduit: ze houdt niet van andermans kinderen. Beter gezegd: niet van onopgevoede kinderen die wel twaalf speelgoedbakken kunnen omkieperen maar nog niet één legoblokje zullen opruimen

De rosé-appgroep volstorten met bevallingsfoto’s. Een echo als Facebookprofiel. 123 nieuw toegevoegde foto’s aan het album Sprookjeswonderland. Duizend kiekjes van kleine Nina of Sem die bedelen om likes. Voor mij hoeft het niet, al die tentoongespreide kinderen op social media. Ik kan er niks mee. Een baby is een baby, een kind is een kind. Of het nu veel of weinig haar heeft, bolle wangen of schattige dreads.

Een enkele keer laat ik me verleiden tot een duimpje of hartje omdat ik anders zo harteloos overkom. Hetzelfde geldt voor verhalen over schattige baby’s, dreumesen en peuters. Ik mis de clou (die er vaak ook niet is), ik haak af bij opboksverhalen over wanneer een kind kon lopen, zindelijk was, zijn veters strikte of alle tafels kende.
 

Gelukkig van nageslacht

Blijkbaar denkt mijn omgeving dat ik vanwege mijn achtergrond net zo gelukkig word van hun nageslacht als zijzelf. Zwanger worden ging bij mij niet vanzelf. Dat is nogal een understatement, als je bedenkt dat het me tien jaar kostte om mijn zoon te krijgen. Toen ik vlak voor mijn dertigste de pil door de wc spoelde, rekende ik erop de volgende maand al positief te testen. Ik was altijd doodsbang geweest een keer een pil te vergeten en prompt zwanger te raken. Dus die keer dat ik het opzettelijk deed, verwachtte ik dat mijn lijf meteen de boodschap zou oppakken. Niet dus. Pillen, spuiten, reageerbuisjes – ik kwam terecht in de hele medische mallemolen.

Om een lang verhaal kort te maken en ook nog eens zegevierend af te sluiten: op de valreep, een maand voor mijn veertigste verjaardag, werd ik toch nog moeder. Ik kreeg een heerlijk kind waarover alle clichés waar zijn. Twee dagen na zijn geboorte keek ik in de wieg en dacht: als er ooit iets met jou gebeurt, hoeft het leven voor mij niet meer. Een gevoel dat daarvoor niemand bij me had opgeroepen en dat ik nu tot in mijn tenen voelde.
 

Stapelgek op kinderen? Mis.

Met zo’n succesverhaal verwacht de buitenwereld dat je stapelgek bent op kinderen. Als je zo veel moeite doet voor een baby, ben je blijkbaar een moederkloek, kindervriend en babyfluisteraar ineen. Mis. Het tegenovergestelde is waar. Als ik één ding heb ontwikkeld in mijn kinderloze jaren, dan is het een hekel aan andermans spruiten. Beter gezegd: het onopgevoede kind. Of nog beter: aan hun ouders die niet-opgevoede producten afleveren.

Ik vind het vervelend als ik tien uur lang in mijn rug word getrapt door een jongetje in de vliegtuigstoel achter me. Als er kinderen tikkertje spelen in een restaurant. Als nichtjes en neefjes op een verjaardag met twee ongewassen handjes in de bak met chips/ cashewnoten/ komkommers duiken en de tafel leegsnaaien. Laat ik het vriendelijk formuleren: dan ben ik niet zo goed in het onderdrukken van mijn ergernis.
 

Basisbeleefdheidsregels

Natuurlijk zou ik het allemaal anders doen als ik zelf kinderen had. En natuurlijk slaag ik daar niet altijd in, want ook mijn zoon is geen modelkind en weleens moe, hangerig en chagrijnig. Ook heeft hij eigenschappen waaraan een ander zich misschien stoort, maar die ik toevallig goed kan verdragen (zoals bloedfanatiek sporten en elk spelletje willen winnen). Maar de basisbeleefdheidsregels zitten er bij hem wel ingebrand.

Mijn credo is ‘mijn kind mag geen overlast bezorgen aan anderen’. Callum is pas zeven en ik kan hem rustig meenemen naar een restaurant, verjaardag, bruiloft of begrafenis. En voor trans-Atlantische vliegreizen draait hij zijn hand niet om. Dankzij goeie voorbereiding, afleiding, hapjes en vertier in de handbagage zit hij de lange vlucht uit, zonder noemenswaardig contact met medepassagiers. Na afloop van een playdate helpt hij met opruimen en geeft hij de ouder van het vriendje een handje en bedankt voor het spelen. Daar sta ik op.
 

Irritatie

Zelf vind ik het daarom lastig als kinderen hier een hele middag spelen en bij het afscheid nog geen doei uit hun snavels krijgen. Kids die wel twaalf speelgoedbakken feilloos weten om te kieperen, maar nog geen legoblokje willen terugleggen. Meestal zwaai ik moeder en kind overdreven lang na, in de hoop dat er iemand nog enige fatsoensregels herinnert. Om vervolgens met Callum aan het puinruimen te slaan en hem er nogmaals op te wijzen dat ik dit gedrag nooit zou accepteren.

Als ik een feestje geef en een vriendje van Callum na één hap frikadel met volle mond roept dat hij nog een tweede wil, mis ik het gen om dat weg te lachen en te denken: wat fijn dat het jochie zo geniet van de snack. In plaats daarvan irriteert het me mateloos en denk ik vals: jij krijgt als enige helemaal niets meer. Geen mooie karaktereigenschap, niet iets waar ik trots op ben, maar het is wel zo.
 

Lees ook
'Ik vind mijn jongste kind leuker' >

 

'Als het om kinderen gaat, is niks haar te veel'

Ik kijk dan ook vol bewondering naar vrouwen die instant van andermans kinderen houden. Die lieve moeder die elke ochtend in de klas stralend mijn kind begroet, hem bij zijn voornaam noemt en complimenteert met zijn nieuwe poloshirt/ Beyblade/ lunchbox terwijl ik niet eens weet hoe haar kind heet. De moeder die op het klassenuitje soepel zes stuiterende kids in bedwang houdt, terwijl ik er nog geen drie bij elkaar weet te houden – waaronder mijn eigen zoon die ineens een stuk minder goed luistert dan thuis. Mijn buurvrouw waar dagelijks hele schares buurtkinderen zich verzamelen en die een schijnbaar bodemloze vriezer vol ijsjes heeft. Jaloers kijk ik naar haar energie, geduld en warme inborst. Ze is 78, maar als het om kinderen gaat, is niks haar te veel.

En dan is er mijn vriendin Hettina, die ik de oermoeder noem. Zij houdt van elk kind dat ze in haar handen krijgt gedrukt (of gewoon uit andermans box of kinderwagen grist). Ze krijgt het verdrietigste kleintje nog aan het lachen. Elke baby valt op haar schoot meteen in slaap. Ook bladert ze verrukt door babyalbums en roept bij elke foto oh en ah. Toen mijn zoon net was geboren, kwam ze drie avonden bij me logeren om me door de eerste nachten te helpen. Vrijwillig.
 

Niks met baby's

Zelf heb ik dus helemaal niks met baby’s. Maar echt. Zal wel een teveel aan mannelijke hormonen zijn. Ik ben namelijk stapel op voetbal en Formule 1 en net als de meeste mannen vind ik kinderen pas lollig vanaf pakweg anderhalf jaar. Als ze kunnen lopen en een beetje praten. Eerder kan ik er gewoon niks mee en vind ik het een opgave ze op schoot te nemen of de fles te geven.

Voordat ik moeder was, kon ik nog wegkomen met een dom grapje: ‘Nee joh, straks laat ik het vallen of breekt er een armpje af, haha.’ Maar sinds ik zelf heb gebaard vertrouwen moeders mij trouwhartig hun larfjes toe. Ik kom niet meer weg met een smoes, ik krijg ze automatisch toegestopt. Overigens snappen die baby’s dat ik er niet veel mee kan, want ze zetten het bij mij onmiddellijk op een brullen.
 

Gave

Er zijn heus wel kinderen die ik kan verdragen en leuk vind. Kinderen die van hun ouders redelijk ouderwetse gedragsregels hebben geleerd of die van zichzelf erg grappig, voorkomend en innemend zijn. Maar dat zijn niet per se Callums beste vrienden. Helaas heeft hij de gave maten te kiezen die snel op mijn irritatielevel zitten.

Callum mag natuurlijk zijn eigen vriendschappen sluiten, zelfs met jongens en meiden die zijn moeder niet pruimt. Maar dat betekent niet dat ik hem niet een beetje kan sturen. Zo zijn er twee buurjongens die elke zin met een scheldwoord larderen. Ik heb ze al twee keer boos van de trampoline gestuurd omdat ze het leuk vonden non-stop ‘je bent een vieze homo’ te zingen.
 

'Dol op hun moeder, niet op die van een ander'

De eerste keer heb ik keurig uitgelegd dat artikel 1: gij zult niet discrimineren ook en vooral in mijn tuin gold. Maar toen ik niet lang daarna weer ‘homo, flikker en mietje’ uit hun monden hoorde, stormde ik naar buiten om met íets meer volume en agressie te zeggen dat een volgende keer dat ik zo’n uitspraak hoor, ze nooit meer een voet in de tuin mogen zetten. Daarmee won ik niet de wedstrijd van ‘coolste moeder’. De broertjes kijken me sindsdien doodsbang aan en vermoeden dat ik ze de volgende keer in mijn kelder verstop. Ach, voor hen zal ook gelden: dol op hun moeder, niet op die van een ander.
 

Dit artikel heeft eerder in Kek Mama gestaan.

 

 


Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

niet vertellen over kinderen opvoeden
Beeld: Unsplash

Wat zijn de belangrijkste dingen die jij nooit hebt gehoord over het krijgen van kinderen, maar je wel graag had willen weten? Buzzfeed heeft een aantal van de beste antwoorden.

1. Volwassenen zijn grote kinderen

via GIPHY

"Volwassenen zijn grote kinderen. We hebben dezelfde basiseisen en vaak ook dezelfde problemen. Als we niet genoeg eten, slaap of gezonde relaties hebben worden we moe, geïrriteerd en boos. Dat kan gaan van een licht humeur tot een woedestorm compleet met schreeuwen, vechten of zelfs fysiek geweld." — Brian Knapp

 

2. Veel, heel veel saaie taken

via GIPHY

"Veters strikken, het verdomde 'Little Green Frog'-liedje 50 keer zingen, in je hoofd bijhouden wat je kind heeft gegeten om te bepalen of de volgende maaltijd rijk aan proteïne of vetten of vezels moet zijn en elke keer glimlachen als je kind de kamer inloopt, zelfs als je een moord zou plegen om vijf minuten alleen te zijn. Jup, deze mensen verdienen een onderscheiding voor doorzettingsvermogen." — Imogen Moore

 

3. Een kleuter is net een slordige huisgenoot

via GIPHY

"Het ene moment geniet je van elkaars gezelschap, kaarten, grappige kattenvideo's kijken op YouTube, gewoon een beetje hangen — dan ga je naar de badkamer om tandpasta over de hele wastafel en handdoek te vinden. Dan sta je in de deuropening, schreeuwend: 'Er zit tandpasta overal! Ruim eens op nadat je je tanden hebt gepoetst!' Je nieuwe huisgenoot komt grinnikend de hal in. 'Sorry, ik liet mijn tandenborstel vallen nadat ik er tandpasta op had gedaan en toen ben ik het vergeten.' Je lacht, maar de volgende dag gebeurt weer hetzelfde." — Tamara Troup

 

4. Terwijl je kind opgroeit ga je de persoon missen die hij/zij was

via GIPHY

"Waar is die driejarige die op schoot kroop om boeken te lezen en de oprit versierde met kunstwerken van krijt? Waar is die tienjarige die in volledige stilte elke nacht uren zat te tekenen? Waar is die grappige veertienjarige die hilarische verhalen vertelde over zijn dag, elke dag? Ze zijn weg, voor altijd." — Jessica Margolin

 

5. Kinderen leren jou net zoveel

via GIPHY

"Je hebt niet alleen kinderen — kinderen hebben jou. Ze hebben je in de palm van hun kleine handjes, om te kneden en je net zoveel te leren als andersom. Zij zijn niet de enige die aan het groeien zijn." — Jeff Darcy


Lees ook
7 dingen die ik moeilijk vind aan opvoeden >


 

6. Het is heel moeilijk om te slapen 'als de baby slaapt'

via GIPHY

"Mijn dochter viel een keer in slaap terwijl ik haar aan het voeden was. Het was 2 uur 's middags en ik dacht dat ze maar vijf minuten zou slapen, dus ik ben opgestaan en heb haar daar laten liggen. Drie uur later was ze nog diep aan het slapen en waren mijn man en ik beiden uitgeput, omdat we zelf niet bij het bed konden zonder haar wakker te maken. We wisten niet of we nou moesten huilen of lachen. Ik denk dat we het allebei hebben gedaan." — Shiri Dori-Hacohen

 

7. Alles zelf uitvogelen

via GIPHY

"Je zal allerlei soorten advies tegenkomen, goed of fout, over alles dat te maken heeft met jouw kinderen. Maar toch moet je het allemaal zelf uitvogelen - ondanks dat mensen kinderen hebben grootgebracht sinds het menselijk ras is geëvolueerd." — Scott Stirling

 

8. Je kan nooit genoeg geduld hebben

via GIPHY

"Ik dacht altijd dat ik meer geduld had dan andere familieleden en dat dit een voordeel zou zijn bij het opvoeden van een kind. Het is nuttig, maar het is alsnog niet genoeg." — Roy Ronalds

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >