Bernike: ‘Ik zag veel knappe mannen met zonnebril, maar nergens de mijne. Waar was hij?’

Bernike gastcolumn Beeld: Marlon van Efferink Fotografie
Bernike
Bernike
Leestijd: 4 minuten

Bernike (29) is getrouwd met Ruben (31) en moeder van een dochter (1). In haar columns schrijft ze scherp, geestig en met zelfspot over de realiteit van het jonge ouderschap – waarbij ze oog heeft voor het absurde in het alledaagse.

Lees verder onder de advertentie

Het was een zweterige, lange kantoordag geweest en ik plofte neer op de bank. “Ik heb de hele dag alleen maar binnen gezeten” klaagde ik tegen mijn man. Hij opperde: “Zullen we anders nu nog even wandelen? Even naar de ijssalon?” Wat een top idee. Ik trok mijn zwierigste zomerjurk aan, uiteraard eentje zonder zakken. Telefoon, sleutels, portemonnee liet ik thuis. Ik had mijn man en mijn kind. Dat was genoeg.

Lees verder onder de advertentie

Bij de ijssalon troffen we onze dorpsgenoten, een jong stel met twee peuters en een baby in de draagzak. Monter stapten we op ze af, en tussen smeltende ijsjes en de geur van zonnebrandcrème verwonderen we ons over de kleinste telg met veel oh’s en ah’s. Onze peuters hadden elkaar gevonden en lachend keken we toe hoe er werd gedanst en gekletst. We namen opgewekt afscheid. De zomer was begonnen. Dit pakte niemand ons meer af.

Koopavond

Omdat het koopavond was besloot ik nog even snel de plaatselijke discounter in te duiken. Tevreden snuffelde ik tussen de houten kraaltjes en verdiepte ik me in verschillende in cellofaan verpakte hang- en sluitwerkjes. Na een niet te duiden periode (seconden? Minuten? Uren?) begaf ik me voldaan naar de kassa, waar een vriendelijke vrouw klaarstond mijn verworven schatten af te rekenen. Plots herinnerde ik me dat ik geen portemonnee bij me had.

Lees verder onder de advertentie

“Sorry”, verontschuldigde ik, “ik haal even mijn man.” Alleen… Waar was hij? Ik keek achterom in een lege winkel. “Hebben jullie hem misschien gezien?” vroeg ik aarzelend. De collega van de caissière liep nog even een rondje. Niemand te bekennen.

“Excuus, ik ga hem even zoeken”. Ik liep naar buiten en scande met geknepen oogjes de winkelstraat. De zon brandde in mijn nek. Waar was hij?

Ik stak de straat over naar de drogist, en zocht tussen de schappen van de babyvoeding. Niemand te bekennen. Ik manoeuvreerde me tussen de tafeltjes van het dichtstbijzijnde terras terwijl ik schreeuwfluisterend “Ruben? RUBEN?!” riep. Ik zag veel knappe mannen met zonnebril, maar nergens de mijne.

Vervelende wending

Opeens hoorde ik iets dat ik als geen ander kende: een peuter in drift. Ik bewoog me richting het geluid dat steeds harder werd, tot ik om de hoek onze dorpsgenoten zag verschijnen. Zij, met draagzak en kinderwagen. Hij, met rood hoofd en een peuter die krijsend over zijn schouder hing. Ook hun avond had een vervelende wending genomen.

Lees verder onder de advertentie

Ik twijfelde even, maar stapte toch op ze af. “Hebben jullie Ruben en mijn dochter misschien gezien?” vroeg ik boven het gekrijs uit. Helaas. Ik legde de situatie jachtig uit en de moeder bood haar telefoon aan. Daarmee probeerde ik Ruben te bellen, maar zoals gebruikelijk neemt hij onbekende nummers niet op. Ik schold binnensmonds. Dan maar naar huis lopen.

“Maar je kralen dan?” vroeg de moeder. “Zal ik ze even voor je afrekenen?” Ik keek naar hun krijsende peuter en de baby die in de draagzak begon te protesteren. Ik wilde nog iets zeggen, maar zij hield vriendelijk voet bij stuk. Voor ik het wist was ik onderweg: met mijn surrogaatfamilie richting discounter.

Lees verder onder de advertentie

Bij de kassa bedankte ik de moeder herhaaldelijk. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, nam ik hun kinderwagen over en liep mee terug, opgenomen in een tijdelijke familie die nu de mijne leek. Heel even stelde ik me voor hoe ik daar vanavond op hun bank zou eindigen en liet ik me meevoeren in dat vreemde, vermoeide lot.

Gezicht op onweer

Plots verscheen er iemand uit de schaduw. Het was mijn man, met de kinderwagen. “Tja, het duurde zo lang, we gingen maar even in dat parkje zitten”. Mijn mond vertrok zich tot een streep en mijn gezicht stond op onweer. Voordat ik kon losbarsten, begon ook onze eigen dreumes het op een krijsen te zetten.

Lees verder onder de advertentie

Nog geen half uur eerder hadden we daar gestaan als tevreden zomerouders met ijsjes in de hand. Nu liep iedereen bezweet en overprikkeld door het centrum met minstens één huilend kind per volwassene.

In een kakofonie van dreinende peuters namen we afscheid van onze redders en stiefelden we terug naar huis. Ik keek mijn man boos aan. Hij negeerde het, en richtte zijn blik op het tasje in mijn hand. Zijn gezicht klaarde op. “Hey, gratis kralen. Score!”

Benieuwd naar meer columns van Bernike? Je vindt ze hier.

Lees verder onder de advertentie

Meest bekeken

Facebook Twitter Whatsapp E-mail