Beeld: iStock
Beeld: iStock

Twee kleine kinderen, hysterische to-do-lijstjes en 450 kilo aan spullen.

Wij begrijpen helemaal dat Mariëtte Middelbeek liever vakantie viert in haar achtertuin.

Voordat we een kind hadden, ging het zo: we boekten een vakantie, en dan gingen we. De voorbereiding bestond uit een uurtje de koffer inpakken, de hond naar de oppas brengen en een stel goede oortjes aanschaffen want er moesten minimaal drie films worden gekeken tijdens de vlucht. Inmiddels is dat een beeld uit een ver verleden, waar ik jammer genoeg destijds niet wat meer van heb genoten, want sinds ons leven in anderhalf jaar is verrijkt met twee kinderen, is het onderdeel  vakantievoorbereiding’ aanzienlijk veranderd.

 

Echt geen huisjespark in de Achterhoek

Het onderdeel ‘vakanties’ in het algemeen trouwens. Toen Casper (nu 3) zich aandiende, wisten alle ervaren ouders in onze omgeving het zeker: vanaf nu zouden wij ons niet langer buiten de grenzen van het land begeven, laat staan het continent. Want: gedoe. Nu hadden man Erik en ik de diep gekoesterde overtuiging dat wij ‘niet zo zouden worden’, waarbij ‘zo’ zoiets betekende als: huisjespark in de Achterhoek.

 

Oké, ook geen Serengeti

Want hoezo zou de komst van een kind het einde betekenen van een leuke vakantie zo nu en dan? Oké, de Serengeti zouden we voorlopig waarschijnlijk niet meer zien, maar verder was de sky wel zo’n beetje de limit. Voor wie nu schamper lacht: ik snap het. Maar we waren ouders met een gebrek aan ervaring en een overdosis zelfoverschatting. 

 

Roadtrippen in Amerika

Dus daar gingen we. Casper net één geworden, wij naar Amerika. Roadtrippen. Ik begon vier weken van tevoren met de voorbereidingen. Erik (van het type: ik heb mijn paspoort en een onderbroek, dus we kunnen gaan) dacht dat ik gek was geworden, maar ik had inmiddels zo veel nog doen/nog kopen/nog onthouden/nog regelen-lijstjes dat ik het sowieso niet zag gebeuren dat we voor Caspers achtste verjaardag zouden vertrekken.

 

Het babykledingplan

Regelzaken, inkopen doen, een heus kledingplan opstellen (als Casper nou op maandag die blauwe broek nog aan heeft, en op dinsdag zijn groene shirt, dan kunnen die nog net mee als ik ze op woensdag kan wassen maar dat moet ik dan natuurlijk niet vergeten, dus dat moet ik nu opschrijven ook al is het half vier ‘s nachts – dat idee) en mijn hoofd breken over levensvragen als: wat als al zijn zes spenen kwijtraken en hij de lokale variant niet lekker vindt? (Mijn antwoord: nog minstens twee extra spenen in de koffer. Eriks antwoord: dat gebeurt niet.)

 

Het vliegtuig in

Daarnaast belde ik ongeveer 31 keer met de luchtvaartmaatschappij. Want dubbelcheck: mocht er echt én een autostoeltje én een buggy mee (ja, hoezee!), hoeveel kilo handbagage kon ik mee het vliegtuig in slepen (twaalf kilo per persoon, maar ‘wij controleren niet zo streng’) en kon ik een babybedje reserveren (nee, tenzij mijn kind nog geen tien kilo woog, waarop ik zijn gewicht maar wat naar beneden afrondde en hoopte dat er geen weegschaal aan boord was). Beschikbaarheidsgarantie van het bedje was er echter niet, waarop ik toch maar dat zelfopblazende matrasje mee aan boord nam, want dan kon Casper in elk geval op de grond voor de stoelen slapen. Ik ging er namelijk van uit dat hij minstens drie uur onder zeil zou gaan en dat zat zo irritant met een kind op schoot, maar dat bleek sowieso een joekel van een inschattingsfout die alleen onervaren ouders als ik maken.

 

'Het vliegtuig zelf was belangrijker'

Aangezien het gewenste bedje kapot was, leek het matrasje even enorm van pas te gaan komen. Nog voor we in de lucht waren, had ik al diverse malen triomfantelijk aan Erik meegedeeld dat mijn tijdrovende doch excellente voorbereiding ons nu alsnog een zoet slapend kind zou opleveren. Achteraf gezien is het eigenlijk best een wonder dat hij op dat punt niet van me is gescheiden, maar goed. Het sloeg dus nergens op, want matrasje of niet, Casper werd zo in beslag genomen door het vliegtuig, de medepassagiers en de vraag hoe hard je op de voeten van de mensen aan de andere kant van het gangpad kon rammen, dat hij slechts twintig minuten wenste te slapen. Op internet had ik de tip gelezen vooral nieuw – want onbekend en dus leuk – speelgoed mee te nemen, maar ik bleek een kind te hebben zonder enige interesse in zingende speelgoedautootjes en babylaptops.

 

Genant

Ineens begreep ik al die ouders die altijd rondjes lopen door vliegtuigen en van wie ik me in een pre-kinder-tijdperk weleens met een vleugje irritatie had afgevraagd of ze niet gewoon konden gaan zitten. Nu was ik degene die gedwee achter een kruipende dreumes aan hobbelde, verontschuldigend glimlachend (‘Ja, haha, het is wat met die kinderen hè, als ze eenmaal kunnen kruipen dan willen ze niks anders meer’) en gelaten geïrriteerde blikken incasserend. En dat bleken nog milde blikken vergeleken bij de terugreis, toen Casper tot zijn grote vreugde ontdekte dat je staand op een vliegtuigstoel met je kleine kinderhandje dus precies op het hoofd van de passagier voor je kunt meppen, maar dat is een gegeven waar ik niet zo graag aan terugdenk.

 

Op weg naar Frankrijk

Dit jaar doen we het anders. We zijn inmiddels een kind (lees: nog eens 391 kilo extra spullen) rijker en bagagerestricties bezorgen me de rillingen, net als de gedachte aan medepassagiers die zich hebben ingesteld op een rustige vlucht. Dus hebben we een huisje geboekt op het degelijkste, meest kindvriendelijke park van Frankrijk, gelegen op auto-afstand, alwaar wij met familie en vrienden (onder het motto: hoe meer kinderen ter entertainment, hoe groter de kans op het lezen van een half boek) twee weken aan de rand van het zwembad zullen doorbrengen.

 

'Laat mij maar thuis'- gevoel

En dan nog schiet ik nu al in de stress. Ik had vroeger een vriendin wier moeder elk jaar op de avond voor vertrek licht hysterisch tegen haar man verkondigde dat ze van de hele vakantie afzag. Elk jaar reageerde hij op dezelfde manier: ‘Dat is goed schat, vertel je het zelf even aan de kinderen?’ De moeder van een collega kreeg vlak voor de reis altijd bloedneuzen, mijn eigen moeder hoofdpijn. Ik wil maar zeggen: de tijd dat vakanties relaxed waren, ligt momenteel ver achter mij. Ik koester ze echt, die foto’s van Casper in de Amerikaanse camper, zijn blonde krullenkop voor het Witte Huis of het nu al legendarische kiekje waarop hij kopje onder gaat in de Atlantische Oceaan. En ongetwijfeld gaat hij het geweldig hebben op dat degelijke Franse huisjespark. Maar toch bekruipt mij bij vakantie tegenwoordig een ‘laat mij maar thuis’-gevoel. We hebben een achtertuin, een plastic badje dat pijn doet aan je ogen en met een beetje geluk ook een paar dagen zon. De reistijd naar de plaatselijke ijssalon past precies binnen Caspers maximum en als er iets gebeurt, hoef ik niet te communiceren in een taal waarin ik uitsluitend twee stokbroden kan bestellen.

 

Top vakantie

Maar ik doe het niet, thuisblijven. Omdat een mens er zo nu en dan toch even uit moet (zeggen ze), omdat ik met zo’n voorstel bij de echtgenoot niet aan hoef te komen en ook omdat veel van mijn eigen fijne jeugdherinneringen vakantiegerelateerd zijn en ik mijn kinderen dat ook gun. In plaats van me in de achtertuin te installeren begin ik dus een maand voor vertrek met de voorbereidingen, vul de dakkoffer (ja, die hebben we nu. Geen commentaar, please) tot de nok en schort alle opvoedregels op tot het najaar. Schermentijd onderweg wordt voor de gelegenheid onbeperkt, ik wapen me met een boodschappentas vol voedsel dat ik in geval van schreeuwen zo naar de achterbank kan kieperen en we rijden maximaal zeshonderd kilometer in twaalf uur. Alle bekende kinderliedjes komen tegen die tijd ongetwijfeld onze neus uit en waarschijnlijk zien we meer Franse parkeerplaatsen dan me lief is, maar alles ter voorkoming van geschreeuw bij een peuter die normaal gesproken al ongeduldig wordt tijdens een tochtje naar de Albert Heijn. Tegen de tijd dat we aankomen zijn we vast gesloopt, hebben we bloedneuzen, hoofdpijn en spijt dat we überhaupt ons huis hebben verlaten, maar gelukkig heeft twee jaar moederschap me geleerd dat lauw geworden rosé ook best te doen is. Als ik dan ook nog medium-bruin weet te worden én dat halve boek kan lezen, wordt het een top-vakantie.

Dit artikel staat in Kek Mama 08-2016. 

 

Lieve toe aan vakantie
Beeld: 123RF

Lieve (31) is moeder van Jan (3) en Dries (1). Na een heftige scheiding heeft ze de liefde opnieuw gevonden in Rogier, met wie ze een latrelatie heeft. Voor Kek Mama schrijft ze over alles wat ze sindsdien doormaakt.

Ik weet niet wie er meer aan toe is, Jan of ik. Wat hakt het er in zeg, zeven weken lang elke ochtend om 6.30 uur opstaan om die twee schatjes in de kleren te krijgen, hun buikjes te vullen en op tijd achter de deur te schuiven bij de juf. Ik ben gebroken.
 

'Tegenwoordig bepaalt meneer alles zelf'

Jan zit nu zeven weken op de basisschool. En in die zeven weken is het van een peuter en echte kleuter geworden. Of daar ook een soort van kleuterpuberteit bij hoort weet ik niet, maar tegenwoordig bepaalt meneer alles zelf. Dat heeft zo af en toe zijn charme maar vaker is het uitermate irritant. Vooral in de ochtenden is het vaker strijd dan dat het een gezellig ochtendritueel is.

Het begint al bij het aankleden. Want dan wil hij nog slapen. Of wil hij iets anders aan dan ik had bedacht (een eigen smaak zou trouwens verboden moeten worden). Of is hij ziek. Tenminste dat zegt ie. En als ik dreig met een zetpil dan is ie ineens weer beter.
 

Het meest verschrikkelijke deel

Dan komt het meest verschrikkelijke deel: het eten van één boterham. Een boterham, zelfs zonder korstjes, staat garant voor minimaal drie kwartier feest aan tafel. Pap gaat er al helemaal niet in en zonder enige vorm van ontbijt naar school vind ik meer iets voor een ontaarde moeder, en dat ben ik toevallig niet. In ieder geval niet voor acht uur ’s ochtends.

Als ik dit bespreek met de kind&oudercoach krijg ik allerlei tips. Een kookwekker om de tijd voor zijn boterham-moment te bepalen, een time-timer om het te visualiseren en tot slot tot twintig tellen en vooral heel erg rustig blijven en positief benaderen. En dat laatste blijkt vooral de laatste weken steeds moeilijker en moeilijker. Tot twintig tellen lukt nog wel maar dat rustig blijven en positief benaderen? Nee.
 

'Heb jij een oplossing?'

Het is alsof de koek een beetje op is. Bij Jan, maar zeker ook bij mij. Ik kan er de kracht niet meer voor op brengen om lekker pedagogisch verantwoord bezig te zijn. Dus eet Jan de laatste twee dagen voor de vakantie zijn boterham op de gang. Als ik hem ’s middags vraag, wanneer we op de fiets zitten naar huis, of hij een oplossing heeft, zegt hij ‘Gewoon, dat jij niet meer zo boos bent en ik mijn brood op eet’. Kinderlogica.
 

Toe aan vakantie

Wanneer ik op zaterdag wakker word van een klein lief kinderkusje en ik op mijn wekker kijk, ben ik blij verrast. Het is al negen uur! Als we rustig op zijn gestaan en aan tafel zitten, eet Jan alsof hij al weken niks gehad heeft. Wel drie boterhammen, met korstjes, gaan erin als zoete broodjes. Ach, laten we het erop houden dat ook hij enorm toe was aan vakantie :-).
 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

gebit-kind-tanden-wisselen-eerste-tandje

Tandartsen blijven erop hameren: vanaf het moment dat het eerste tandje tevoorschijn komt, moet je het gebit van je kind goed verzorgen. Maar wat is nu een goede poetsroutine en hoe zit het met tanden wisselen? Een paar belangrijke punten op een rij.

Lees ook
De beste tips: zo komt je kind van de speen af

 

  1. Over het algemeen komt het eerste tandje door tussen de 6 en 9 maanden - vaak eerst de onderste voortandjes. Vanaf dan is dagelijkse reiniging van het gebit dus ook nodig. Ook zou je al een afspraak bij de tandarts kunnen maken - al beginnen de meeste ouders hier vanaf een jaar of 2 mee.
  2. De meeste kinderen hebben rond hun derde het hele melkgebit compleet. Toch raadt de tandarts aan om het gebit al vanaf twee jaar elke dag twee keer te poetsen. Hiervoor kun je prima peutertandpasta gebruiken: daar zit minder fluoride in en als je kind dit inslikt, is het niet erg. Maar wat als je kind niet wilt poetsen? Kek Mama vroeg het aan échte experts. En deze komen soms met verrassende oplossingen.
  3. Ongeveer tien tot twintig procent van de kinderen hebben last van zogenaamde ‘kaasmolaren’: gelige of bruine vlekken die worden veroorzaakt door een fout in de samenstelling van het glazuur van de tand. Om de schade te beperken is het belangrijk dat het gebit goed verzorgd wordt. De tandarts kan ook helpen, door een speciale pasta of fluoride aan te brengen.
  4. Het glazuur van het melkgebit is dunner en minder sterk. Hierdoor ontstaan makkelijker gaatjes en slijt het glazuur van het melkgebit sneller. Op 7- of 8-jarige leeftijd kunnen de knobbels van de melkkiezen door het kauwen al zelfs zijn weggesleten. Goed dus, om het gebit van je kind goed te verzorgen.
  5. Tanden wisselen doen kinderen vaak vanaf 5- of 6-jarige leeftijd. In tegenstelling tot doorkomende melktandjes, merkt je kind hier vaak weinig van - behalve dat de melktand los gaat zitten. Goed poetsen is tijdens de wisselfase extra belangrijk, omdat de nieuwe tanden erg gevoelig zijn voor cariës (gaatjes).
  6. In principe is de richtlijn dat de speen rond het derde jaar wel weg kan, anders loopt je kind risico op een zogenaamde ‘overbite’. Opvoedkundige Tischa Neve: "Laat je kinderen te lang met een speen rondlopen, dan zijn ze niet te verstaan met zo'n ding in hun mond. Ook is het slecht voor de mondmotoriek en het gebit. Het wordt voor ouders alleen maar gemakzucht. Je denkt al snel: hup, speen erin, dan is mijn kind wel stil."
  7. Om het gebit te beschermen en je kind levenslang goede mondverzorgingsgewoontes bij te brengen, heeft de tandarts drie belangrijke tips: beperk de suikerinname om tandbederf te voorkomen, zorg ervoor dat kinderen genoeg fluoride krijgen (bijvoorbeeld door een behandeling bij de tandarts of door supplementen) en leer je kinderen om regelmatig en goed te poetsen en te flossen.

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >