Mariëtte Middelbeek geeft het schaamteloos toe: ze is een dweil van een moeder die haar zoon veel te vaak zijn zin geeft. “Zo leert-ie natuurlijk nooit dat life af en toe sucks.’’

Op een van de zeven avonden gaat het bij ons zo. “Casper, je gaat in bad.” “Nee.” “Ja, maar je hebt een hele mooie piratenboot en ik pak je bal en je eendje en er zijn zelfs… bekers.” (Mijn zoon houdt van bekers.) “Nee.” “Het was geen vraag. Kom op, in bad. Nu.” “iPad?” En dan krijgt hij de iPad (waarvoor we een houder aan de muur van de badkamer hebben omdat man en ik hadden bedacht dat we dan relaxed in bad tv konden kijken, wat we nooit doen) en krijst hij niet eens zo hard bij het haren wassen en is iedereen gelukkig. Vooral ik. Ik geef meteen toe dat ik op peutergebied (Casper is twee) de ruggengraat van een natte krant heb.

 

Conflictmijder

Ik ben een conflictmijder. Niet uit principe, laat staan dat hier een doordachte opvoedstrategie achter schuilgaat. Ik heb gewoon geen zin in gedoe. Niet dat ik altijd maar ja roep, maar als het even kan, kies ik de makkelijke weg. Casper moet van mij elke avond in bad, omdat hij het op zichzelf bijzondere talent heeft jam in zijn haar te krijgen als hij geen jam heeft gegeten, dus op dat gebied doe ik geen concessies. Maar dat is dan ook mijn enige ferme uitspraak. Want eerst mag hij springen op ons bed, daarna twintig keer op en neer rennen over de overloop, vervolgens voetballen we nog even in zijn kamer en daarna beweeg ik hem voorzichtig richting badkamer waar de iPad met YouTube-filmpjes over graafmachines op hem wacht.

 

iPad mee naar de badkamer

Die iPad gaat mee naar zijn kamer als ik hem afdroog en doet ook dienst als afleidingsmanoeuvre tijdens het tandenpoetsen. Daarna verruil ik hem voor een fles – die hij volgens de wijzen op het consultatiebureau allang niet meer nodig heeft, maar hij wil hem zo graag – die hij in bed opdrinkt, waarna hij lekker in slaap valt. Of niet, en dan staat hij tien minuten later zenuwachtig aan zijn slaapzak te plukken, onderwijl uit! uit! roepend waarna ik hem ofwel nog een fles geef ofwel daadwerkelijk uit bed haal. Ander voorbeeld: kondig ik aan dat we aan tafel gaan en zegt hij nee, dan probeer ik hem eerst zachthandig in zijn stoel te wurmen om vervolgens een dreigende explosie af te wenden door hem net zo snel weer in de speelhoek af te leveren waar zijn geliefde vrachtwagen op hem wacht.

 

“Waarom zou ik een bloedige disussie met een peuter riskeren?’’

En als ik net heb aangekondigd dat we bij een blokje om links gaan en hij rent rechts, verander ik subiet het routeplan want waarom zou ik een bloedige discussie met een peuter op straat riskeren. Fout fout fout, natuurlijk. Ik hoor opvoeddeskundigen al in koor roepen dat hij moet leren dat regels regels zijn, dat het hek van de dam is met dat gemakzuchtige gedoe van mij, dat kinderen duidelijkheid nodig hebben en heel ongelukkig worden als ze altijd hun zin krijgen. Hoewel ik laatst wel las dat begrijpende, meebewegende ouders zorgen voor geluk bij een kind, dus sindsdien noem ik mezelf empathisch in plaats van gemakzuchtig maar het komt op hetzelfde neer.

 

Stuk gezelliger

Gelukkig ben ik niet de enige die graag voor de makkelijke weg kiest. De negenjarige dochter van mijn vriendin Inge kreeg onlangs een mobiele telefoon, hoewel Inge eigenlijk vindt dat dat onder de twaalf jaar onzin is. “Maar ik werd gek van het gedonder erover. ‘Ik ben de sukkel van de klas, mam.’ ‘Nu kan ik niet WhatsApp’en met de juf, mam.’ Allemaal onzin en dat ze hem voor de veiligheid nodig heeft, zoals mijn moeder behulpzaam suggereerde, is ook niet waar. Die telefoon is er alleen maar gekomen omdat ik geen zin had in die discussie erover. Vind ik slecht van mezelf, maar het is nu wel een stuk gezelliger.”

Gezelligheid, dat is vaak ook de reden dat ik toegeef, of meebeweeg, of hoe je het ook wilt noemen. Ik zie gewoon niet in waarom ik een strijd aan zou gaan over een boterham met smeerkaas. Negen van de tien keer gaat die zo naar binnen, de tiende keer raap ik de boterham van de grond en strooi er hagelslag overheen. Probleem opgelost.

 

Gebeurt vaker: mensen met een mening

Laatst waren we uit eten. Casper wenste zijn pasta in zijn oor te stoppen. Ik probeerde hem op andere gedachten te brengen, hij werd boos. Mijn oplossing: pasta weg, ijs erin, klaar. De serveerster kon haar verwondering niet verbergen. ‘Nou, dat gaat bij mij thuis anders’, mompelde ze, maar ik negeerde haar.

Het gebeurt vaker: mensen met een mening. De ‘dat hoeft de mijne niet te proberen’-varianten kan ik niet op twee handen tellen. Prima, fijn dat er perfecte kinderen en nog perfecter ouders bestaan. Ik ben dat zelf helaas niet.

Mijn vriendin Eva ook niet. Haar drie kinderen (6, 4 en 1) slapen allemaal bij haar in bed (“We wilden ze laatst naar hun eigen kamers verbannen, maar na twee nachten gehuil was ik wel weer klaar met dat plan”). De iPads van de tweeling (7) van vriendin Cato liggen altijd voor het grijpen (“En dan nog krijgen ze mijn telefoon als ze erom zeuren”) en de zoon (6) van collega Sara merkte laatst na het boodschappen doen verwonderd op dat hij “vandaag nog geen cadeautje had gehad”. Want meestal krijgt hij op z’n minst wel even dat Transformerspoppetje, aangezien het maar twee euro kost en hij dan zoet is in het winkelcentrum. 

 

Life sucks af en toe

Onlangs las ik in een artikel van een opvoeddeskundige dat kinderen die niet met teleurstelling leren omgaan, niet per se gelukkiger worden. Of eigenlijk: dat dat verwende pieperds worden die niet opgewassen zijn tegen de uitdagingen van het leven. Daar heb ik wel een tijdje over nagedacht, want ik wil natuurlijk geen diep ongelukkige volwassene afleveren die weliswaar naar hartenlust met broccoli heeft mogen smijten, maar nooit leerde dat life af en toe gewoon sucks. Sindsdien heb ik het papa-gaat-weg-en-ik-ben-heel-erg-zielig-ritueel toch maar afgeschaft. In het kort ging het zo: als de auto wegreed zonder Casper op de achterbank, wierp hij zich met veel vertoon van drama ter aarde, waarna ik het enorme euvel probeerde te verhelpen met zijn geliefde hobby ‘foto’s kijken’ (uiteraard op mijn telefoon) dan wel een paar Samson & Gert-koekjes, waarna de tranen snel gedroogd waren. Dat doen we niet meer. Nu is het ‘jammer dan’ en moet ik even de kiezen op elkaar doen bij het gepiep dat erop volgt. Maar dat is dan ook het enige ruggengraat-moment van de laatste tijd.

 

Urenlang met iPad in bad

Soms denk ik dat ik strenger moet worden, vaak als ik weer ergens een opgetrokken wenkbrauw heb gezien en me afvraag of ik het dan zo verkeerd doe. Moet ik Casper meer beperken omdat je nou eenmaal niet altijd maar kunt doen en krijgen wat je wil? Is het niet genoeg dat ik opvoeden vooral richt op grote thema’s als sociaal zijn, speelgoed opruimen en je babyzusje niet bewerken met een plastic trein, en liever niet te veel tijd en energie stop in minor details? Als ik nu niet paal en perk ga stellen, heb ik dan straks een puberanarchist over wie ik niks te vertellen heb? Die urenlang met de iPad in bad zit en bij binnenkomst in een supermarkt eerst krentenbollen naar binnen werkt alvorens lukraak attributen in een kinderwinkelwagentje te mikken die ik vervolgens stiekem opruim? (Uiteraard is dat laatste puur hypothetisch.)

Misschien wel. En misschien kan ik dat voorkomen door heel streng te zijn, maar uiteindelijk doe ik dat niet. Want uiteindelijk denk ik vaak: als hij 21 is, gooit hij vast geen vla naar de hond, dan rijdt hij niet met zijn loopfiets over de bank, dan eet hij smeerkaas zonder hagelslag. Of niet. Ook goed.

Dit artikel staat in Kek Mama 9-2016.

minder clubjes
Beeld: Unsplash

De hele week zie je moeders verwilderd rondrijden van gitaarles naar toneel, van voetbaltraining naar ballet. Alsof ze potdorie niks beters te doen hebben. “Mag het alsjeblieft een clubje minder?”

Nee, ik kan niet met je afspreken op woensdagmiddag. Op woensdag ben ik namelijk taxichauffeur. Zodra de lunch achter de kiezen is, bevind ik me in de auto. Volgeladen met mijn kinderen – en vaak met een handvol andere. Nauwkeurig leg ik de te rijden route af en bij elk clubje worden mijn kinderen met open armen ontvangen: “Wat fijn dat je er weer bent!” (Geen woord voor de chauffeur, die niet alleen zorgt dat die kinderen er zijn, maar ook nog eens al die clubjes betaalt.)

Een middag lang rijd ik door de stad. Voorzichtig, zonder overtredingen en zorgvuldig alle knel- en knooppunten vermijdend, zoals een goede chauffeur betaamt. Zo’n taxirit is logistiek een hele uitdaging. Het ene kind moet naar de tennisbaan, nummer twee tien minuten later bij de gitaarleraar afgezet aan de andere kant van de stad. Dan de hele goegemeente in omgekeerde volgorde ophalen en bij respectievelijk voetbal en dansen afzetten. Om daarna een kind alvast naar huis te brengen en met de ander nog even door te rijden naar de pianojuf.
 

Resoluut

Kan het niet een clubje minder, zegt u nu. Ja, dat vraag ik mezelf ook weleens af. Maar mijn kinderen vinden alles zo leuk. En ik vind het dan weer leuk dat zij dat zo leuk vinden. Laat er een psych op los en die zal ongetwijfeld het gemis aan al deze geneugten in mijn eigen jeugd naar voren schuiven. Ik heb een heerlijke kindertijd gehad, maar mijn moeder was wat clubjes betrof redelijk resoluut. Eén sport is genoeg.
 

Eigen schuld

Ik zou haar advies ter harte moeten nemen. Want hoewel ik het belangrijk vind dat mijn kinderen plezier hebben, zit ik niet bepaald op dit taxibaantje te wachten. En dan moet je weten dat ik niet alleen woensdagmiddag chauffeur ben, maar ook maandagmiddag en zaterdagochtend. Mijn eigen schuld. Ik zeg immers ja op het moment dat een nieuw clubje zich aandient en een van mijn kinderen met smekende ogen voor me staat. Terwijl ik heel goed weet dat een nieuwe bezigheid in de praktijk betekent dat ze moeten worden gebracht en gehaald. En toch geef ik toe. Omdat ze er zo veel plezier in hebben, omdat het goed voor ze is, omdat ze er veel van leren. Zij blij, ik blij. Tot het moment van halen en brengen zich aandient. Zit ik wéér in die auto.
 

Sociale bezigheid

Wat ook meespeelt, is dat al hun vriendjes eveneens op die clubjes zitten. Een vraag of ze een nieuwe sport mogen beoefenen of op een of andere knutselcursus mogen eindigt steevast met de mededeling dat Pietje, Kees en Truus het ook doen. Waardoor het naast een sportieve en creatieve uiting ook nog eens een sociaal gebeuren is. En wie ben ik dan om mijn kinderen daar niet aan te laten deelnemen? Komt bij dat ik in een stad woon met een zeer groot verenigingsgebeuren. Noem een sport of bezigheid en er zit hier een club aan vast. Die onderling alle trainings- en wedstrijddagen op elkaar lijken te hebben afgestemd. Een nieuwe vis in de vijver? Alles schuift en verschuift en hup, weer een gat waar getraind of bijeengekomen kan worden.
 

Lees ook
Sara's editorial: clubjes >

 

Zelf dingen ondernemen

Vriendin K. geeft minder makkelijk toe. Ze heeft twee jongens en een drukke baan. Haar vrije woensdagmiddag heeft ze nodig om ook een beetje aan zichzelf toe te komen. Haar kinderen doen dus niks. Nou ja, niks, ze vermaken zich prima. “Kinderen moeten al zoveel, hoe heerlijk is het als je een hele lange middag voor je hebt waarin je kunt doen wat je wilt?” Volgens haar zorgt het hebben van niet al te veel verplichtingen ervoor dat haar kinderen gestimuleerd worden zelf dingen te ondernemen. Dingen die niet voor hen zijn bedacht in de vorm van hockey, tennis, timmeren, of toneelles, maar die ze zelf bedenken.
 

Langs de lijn staan

Ze maakt zich geen zorgen of haar kinderen buiten de groep vallen. “Ze hebben vriendjes genoeg. Juist omdat mijn kinderen bijna altijd kunnen afspreken.” Ook de sociale druk om langs de lijn te staan voelt ze niet. Ik zelf sta – niet altijd met evenveel zin, want meestal op onmogelijke tijden – best vaak naar de sportprestaties van mijn kinderen te kijken. Diep in mijn hart zou ik graag eens een zaterdagochtend met een pot koffie en een stapel weekendkranten willen doorbrengen. Maar de druk om langs die lijn te gaan staan is groot. Ouders rekenen elkaar daar nogal eens op af.

De zoon van K. mocht uiteindelijk op voetbal. Voor hij zijn voetbalschoenen kreeg, legde ze hem uit dat ze niet elke week langs het voetbalveld zou staan. Iets wat door andere ouders van het team niet bepaald op prijs werd gesteld. Er wordt van je verwacht dat je bij elke prestatie van je kind aanwezig bent, of dat nu een wedstrijd, voorstelling of slechts een training is. K. voelde die keren dat ze wel kwam kijken de messteken in haar rug. “Mensen zeggen niet dat ze het stom vinden dat ik er bijna nooit ben, maar ik hoor het ze denken. In heel kleine dingen voel ik dat, een vals bijzinnetje bijvoorbeeld of het feit dat er altijd tegen me wordt gezegd dat ik zo hard werk en wel moe zal zijn.”
 

Kan-mijn-kind-meerijden

Vriendin A. heeft drie kinderen. Die allemaal minimaal twee sporten doen, een instrument bespelen en ook nog op creatieve clubjes zitten. Ze heeft haar werk zo ingericht dat ze elke dag om drie uur beschikbaar is als taxichauffeur. In tegenstelling tot K. staat A. altijd op het sportveld en zit vooraan bij elke uitvoering van haar kinderen. Last van messteken heeft zij niet, wel van de kan-mijn-kind-met-jou-meerijden-want-jij-gaat-toch-al-verzoeken. “Ze weten dat ik rij en dan is een kind of twee extra meenemen geen probleem.”
 

Eén clubje minder, graag

Mijn zoon deed in zijn hoogtijdagen drie sporten en zat ook nog op drumles. Mijn dochter deed twee sporten, zat op streetdance, musicalles en volgde een workshop tekenen. Eén clubje minder, stelde ik mijn kinderen voor. Ze schrapten ieder een clubje van hun lijst. Ze kozen, zal je net zien, de clubjes die op steenworp afstand van elkaar te vinden zijn: judo en musicalles.

Gelukkig maakt nood uiterst creatief. Ik kon overal naar toe blijven rijden, maar zoiets als gitaarles kon eigenlijk gewoon bij ons thuis. En naar tennisles kon best met het groepje vriendinnen gefietst worden. Met mijn man sprak ik af dat het ook goed is als maar een van ons bij een wedstrijd of uitvoering is. En zo ontstond er toch wat lucht. Bovendien luister ik met terugwerkende kracht naar het advies van mijn moeder. Laatst wilde mijn zoon op een verdedigingssport, een half uur rijden van ons huis. Ik gaf hem twee opties: hij kon iets zoeken op fietsafstand óf wachten tot hij achttien was en zelf zijn rijbewijs op zak had.
 

Dit artikel staat in Kek Mama magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >

De juf
Beeld: Getty

Een leerkracht vertelt aan Kek Mama wat ze meemaakt. Deze keer: de overleden vader van leerling Clarissa (6).

Maandagmiddag, twee jaar geleden. De kinderen zijn naar huis en ik drink thee met collega’s. We lachen net om een voorval op het schoolplein als de conciërge binnenkomt en zegt dat Suzan me wil spreken. Ze is de moeder van mijn leerlingetje Clarissa (6). Suzan is in tranen.

Geschrokken neem ik haar mee naar een rustige kamer. Daar vertelt ze dat Clarissa’s vader de avond tevoren een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Het wordt wazig om me heen. Niet flauwvallen, denk ik. Ik zie Rob voor me, een vriendelijke, vrolijke man met lieve bruine ogen.
 

Pas twee jaar voor de klas

Ik ben 23 en sta pas twee jaar voor de klas. Suzan en Rob zijn minstens tien jaar ouder dan ik. Ik heb de dood nog nooit van nabij meegemaakt, op het bekende konijn en de goudvis na. Suzan vertelt tussen het snikken door wat er is gebeurd. Hoe depressief Rob de laatste tijd was, hoe ze een lief briefje op tafel vond, hoe ze hem heeft aangetroffen.

Ze kijkt me met wijd opengesperde ogen aan. “Hoe moet ik dit aan Clarissa vertellen?”, vraagt ze. ‘Ze weet nog van niets, ze speelt bij een vriendinnetje.” Ik kijk sprakeloos terug. Geen idee wat ik moet zeggen. Ik dreig in tranen uit te barsten als Jonathan, onze directeur, binnenkomt. Hij is gewaarschuwd door een opmerkzame collega die het gevoel heeft dat er iets helemaal mis is. Na een blik op mij vraagt Jonathan of ik thee voor ons drieën wil halen.
 

Rouwen in ladekastjes

De volgende dagen heb ik het gevoel dat ik stage loop in rouwtherapie. Ik leer dat kinderen rouwen in ladekastjes – de laatjes gaan dicht als het te veel wordt. Suzan vertelt me dat Clarissa erg huilde toen ze het nieuws hoorde, maar daarna al vrij snel vroeg of ze appelsap mocht. Na drie dagen brengt Suzan haar naar school. Ze heeft een schoenendoos bij zich die is versierd met wolkjes. Clarissa’s klasgenootjes mogen er een tekening in doen.

Rob wordt begraven op een tropisch warme dag. De hele school is aanwezig, het wordt bijna gezellig. Mensen lachen als zijn hondje op de kist springt.
 

Lees ook
Juf Julia en de overleden moeder van Mylou >

 

Dieren die misschien in de hemel zijn

Volgens Jonathan zal Clarissa zelf aangeven wat ze nodig heeft. De eerste weken wil ze vooral spelen. Maar op een dag komt ze bij me staan en zegt: “Mijn papa is dood. Ik denk dat hij in de hemel is. Zijn er vogels in de hemel?” Aarzelend zeg ik dat het goed zou kunnen. En dat ze misschien een tekening kan maken over vogels.

De volgende weken praten we op gezette tijden over welke dieren er in de hemel zouden kunnen zijn. Hamsters, hertjes, eenden, dinosaurussen? Ze tekent ze allemaal. Haar vriendinnen doen mee. Er komt een hele serie over ‘dieren die misschien in de hemel zijn’.
 

Twee jaar later

We zijn nu twee jaar verder. Het gaat goed met Clarissa. Ze zit niet meer in mijn klas. Toch komt ze af en toe met me praten over de dieren in de hemel. Ook in mijn nieuwe klas maken we een serie over dieren in de hemel. Een paar maanden geleden stierf de moeder van een van mijn leerlingen aan kanker. Ik merk dat ik het jongetje kan steunen met mijn ervaringen met Clarissa. Daardoor weet ik nu dat ook de afschuwelijkste gebeurtenissen lichtpuntjes kennen. Door de dood van Rob ben ik in één keer volwassen geworden als leerkracht.
 

Dit artikel staat in Kek Mama Magazine en is al een keer eerder gepubliceerd.

 

 

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >