Beeld: Getty
Beeld: Getty

John (36) is altijd bang dat er iets met zijn kleuterzoon gebeurt. Vallen, een blauwe plek, een schram, het liefst zou hij het allemaal voorkomen.

“Ik ben al bang als mijn vierjarige zoon in een klimrek klimt. Vorige week nog, toen ik hem van school ophaalde. Kijk eens papa, wat ik kan. Ik sloop zo dicht mogelijk naar hem toe en probeerde zo te gaan staan dat ik hem kon opvangen als hij naar beneden zou vallen. Wel verdekt, want ik wil niet dat hij mijn ongerustheid opmerkt. Een deel van me vindt het geweldig dat hij zo hoog durft. In het uiterste topje van het klimrek balanceert hij tegen een stang en houdt zich met één hand vast, de andere in de lucht. Maar een ander deel zegt: kom er nu maar voorzichtig weer af.

 

Overbezorgd

Vorige week kwam ik thuis van mijn werk. Tas onder mijn arm, jas nog aan, zie ik mijn zoontje op een krukje voor het aanrecht staan met een snijplank en een scherp mes. Zijn moeder staat ernaast, geen zorgen dus. Maar toch is mijn eerste reactie: is een van die plakjes champignons niet het topje van zijn vinger? Hmm, hij huilt niet, dus alles zal wel in orde zijn. Ja, met mijn overbezorgdheid laat ik veel van mijn plezier om mijn heerlijke zoontje vergallen. Ik zie voort­ durend gevaar. Vanochtend nog, hij had een judotoernooi en na afloop kreeg hij een verrassingsei. Peuterde hij op weg naar de auto dat papiertje eraf en loopt bijna tegen een lantaarnpaal. ‘Nu moet je even voor je kijken, Videl, want straks doe je je pijn’, kon ik niet nalaten te zeggen. O ja, zegt hij dan.

 

Voortdurend in tweestrijd

Ik weet, vallen hoort erbij. Blauwe plekken ook. Eigenlijk sta ik voortdurend in tweestrijd: behoed ik hem zo veel mogelijk voor pijn of laat ik hem tegen zo’n lantaarnpaal knallen zodat hij de volgende keer beter oplet? In het geval van het helpen koken kon ik het toch niet laten een aluminium plaatje te bestellen waar hij met zijn middelvinger en wijsvinger doorheen kon, zodat hij zich niet kon snijden. Maar het ding paste niet om zijn vingertjes en nu snijdt hij de paddenstoelen weer zonder. En misschien maar goed ook.

 

Gebroken arm

Ik ben net als Videl enig kind, bij ons thuis werd alles voor me gedaan, tot ik zelf besloot dat het welletjes was. En net zoals ik omringd werd met overdreven aandacht van mijn ouders, behandel ik Videl door steeds op te letten. En weet je, ik ben nog best bereid om toe te geven dat ik een beetje overdrijf, maar ik krijg soms ook gelijk. Een tijdje geleden fietste hij met een vriendje. Videl viel, het vriendje reed over zijn arm. Arm gebroken. Dan kan mijn vrouw wel zeggen dat ik me aanstel, maar soms denk ik weleens stiekem: maar jij hebt hem die gebroken arm gegeven. Heel even maar hoor, want ik ben dolblij dat zij niet zo is. Met een enkel woord of ge­baar brengt ze mij weer even met twee benen op de grond. Zij zou nog meer kinderen willen, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik één kind wel goed vind zo. Stel dat ik nog meer kinderen zou hebben? Leuker dan Videl wor­den ze toch niet en hoe houd ik ze allemaal in de gaten?

 

Te klein voor de glijbaan

Ik zie ook de kinderen op fietsjes die voor tachtig procent uit bescherming bestaan en nog net vanonder hun helmpjes de wereld in kunnen kijken. Ik zie ook dat dat belachelijk is. Ik ben zelf groot geworden in de tijd zonder rubberen stoeptegels onder de speelrekken, maar aan de andere kant, wie wil zijn kind niet beschermen tegen pijn? Ook al weet ik dat beschermen deels een illusie is, het weerhoudt me niet. Wij wonen in een wijk met hofjes. Ieder hofje heeft een ander speeltuintje. Toen Videl net drie was, ging hij met een andere moeder en een vriendje naar een hofje met een glijbaan. Daar was hij nog nooit geweest. Hij liet zich zakken, gleed naar een kant en botste met zijn gezicht tegen het metaal, hup een hoekje van zijn tand. Het is maar zijn melkgebit, maar ik had toch de pest over in. Negen van de tien keer is mijn angst ongegrond, maar dit keer had ik wel degelijk gelijk toen ik zei dat ik hem nog te klein vond voor glijbanen.

 

'Hoe doen anderen dat?'

De rode draad in mijn opvoeding blijft steeds die afweging: gun ik hem zijn levensles of voorkom ik ongelukken met alles wat in mijn macht ligt? Meestal kies ik een soort half­slachtige middenweg. Dan sta ik zo opgesteld dat ik hem kan zien zonder dat hij in de gaten heeft dat ik er sta. In een pretpark wilde mijn vrouw even op een bankje zitten. Ik vermande me, maar toen ik even later opkeek en over de speelplaats tuurde, zag ik Videl niet meer. Ik stond op, liep naar de plek waar ik hem het laatst gezien had. Ook mijn vrouw begon in paniek te zoeken, maar we konden hem niet vinden. Na vijf minuten die uren leken, hoorden we zijn naam omroepen: ‘Videl is zijn papa en mama kwijt.’ We renden erheen en ik nam me voor hem nooit, nooit meer uit het oog te verliezen. Meteen de dag erop hebben we een armbandje voor hem laten maken met zijn naam, adres en onze telefoonnummers. Dat draagt hij nu elke dag, alleen als hij gaat slapen gaat het af. Ik kijk weleens hoe mijn vrienden dat doen, of zij ook zo buitengewoon zorgelijk zijn. Maar zij hebben beiden dochters, meisjes die veel minder ondernemend dan mijn jongetje. Mijn vrienden maken zich druk over een jasje dat niet goed dichtzit, alsof hun engeltjes meteen een longontsteking zouden oplopen als het laatste knoopje niet is gesloten. Kijk, daar maak ik me nu weer totaal niet druk om.

 

'Het wordt minder als hij ouder wordt'

Ik troost me met de gedachte dat als Videl ouder wordt, ik de vader ben met de minste zorgen. Een meisje op haar zestiende de stad in laten gaan, lijkt me toch weer moeilijker dan een jongen. Dan zal ik ontspannen zijn en zullen mijn vrienden ’s nachts waken aan de keukentafel. Maar helemaal zal mijn bezorgd­heid nooit overgaan. Nog los van de tijd waarin we leven, die in alle opzichten gericht is op maakbaarheid en risicobeheersing, is het zorgen mij met de paplepel ingegeven. Ach, je kunt ergere kenmerken erven.”

Dit artikel staat in Kek Mama 06-2016

nipt-zwangere-vrouwen

Door de NIPT kun je tijdens je zwangerschap zien hoe groot de kans is dat jouw baby het down-, edwards- of parausyndroom heeft. Maar hoe werkt zo'n test precies? Wanneer kun je 'm doen? En wordt-ie ook vergoed? Wij zochten het voor je uit. 

Want waar de test lange tijd alleen beschikbaar was voor zwangeren met een verhoogde kans op een kind met een chromosoomafwijking, mag sinds april 2017 iedere vrouw er gebruik van maken. Als je er behoefte aan hebt, dan. En als je betaalt, want vrijwillige deelname kost € 175 en wordt niet vergoed door de zorgverzekering.

 

DNA

NIPT betekent 'Niet-Invasieve Prenatale Test' en is een onderzoek dat bestaat uit het afnemen van een paar buisjes bloed. Hierin zit erfelijk materiaal (DNA) van de placenta dat bijna altijd hetzelfde is als dat van je kind. Zo kan het laboratorium dus, veilig én zonder het risico op een miskraam, onderzoeken of jouw baby het down-, edwards- of patausyndroom heeft. Wel goed om te weten: je kunt de test pas laten doen vanaf elf weken zwangerschap. 

 

Nevenbevindingen

Het laboratorium kan terwijl ze de NIPT uitvoeren ook zien of je kind andere (zeldzame) chromosoomafwijkingen heeft: die worden nevenbevindingen genoemd. Je mag zelf beslissen of je deze wilt weten en kunt dan ook kiezen uit twee mogelijkheden:

  1. Je wilt je kind alleen laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom. Het laboratorium weet dan ook niet of er nevenbevindingen zijn.
  2. Je wilt je kind laten screenen op down-, edwards- en patausyndroom én je wil weten of het laboratorium nevenbevindingen heeft gevonden.

 

Lees ook
Extreme zwangerschapsmisselijkheid: ‘Zelfs een slokje water kwam er meteen weer uit’ >

 

Uitslagen

Na tien dagen krijg je de uitslag van je gynaecoloog of verloskundige. Als je ervoor hebt gekozen ook nevenbevindingen te willen horen en het laboratorium heeft deze gevonden, dan word je meestal gebeld door het Centrum voor Prenatale Diagnostiek of een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis. De uitslagen die je kunt krijgen zijn: 

 

‘U bent waarschijnlijk niet zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

Deze uitslag klopt bijna altijd: minder dan één op de duizend zwangere vrouwen blijkt achteraf toch zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom. Bij deze uitslag krijg je geen vervolgonderzoek.

 

‘U bent mogelijk zwanger van een kind met down-, edwards- of patausyndroom.’

  • Bij 75 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met downsyndroom, klopt dat inderdaad; 25 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met downsyndroom.
  • Bij 24 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met edwardssyndroom, klopt dit inderdaad; 76 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met edwardssyndroom.
  • Bij 23 van de 100 vrouwen die de uitslag krijgen dat ze mogelijk zwanger zijn van een kind met patausyndroom, klopt dit inderdaad; 77 vrouwen zijn dus niet zwanger van een kind met patausyndroom.

Als je echt zekerheid wilt hebben, kun je alsnog een vlokkentest of vruchtwateronderzoek laten doen.

 

‘Er is een nevenbevinding gevonden.’

Je krijgt dan uitleg over wat precies er is gevonden en wat dit mogelijk voor jou en/of voor je kind betekent. Je krijgt hiervoor een uitnodiging voor een gesprek op een polikliniek klinische genetica van een universitair ziekenhuis, waarin je meer informatie over de nevenbevinding krijgt en wat de mogelijkheden zijn.

 

‘Er is geen nevenbevinding gevonden.’

Als er in de uitslag niets staat over nevenbevindingen, dan betekent dit dat er ook geen nevenbevindingen zijn gevonden.

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >
longontsteking-kinderen-symptomen-behandeling

In Nederland krijgen elk jaar gemiddeld 25.000 kinderen een longontsteking. Vaak is die na een week of twee wel genezen, maar het kan ook maanden duren voordat een kind weer de oude is.

'Op tijd behandelen voorkomt erger', zegt Michael Rutgers, directeur van het Longfonds. In onderstaande antwoorden lees je hoe.

 

Wat is een longontsteking? 

Longontsteking is een ontsteking van de longen door een virus of bacterie en komt bij kinderen redelijk vaak voor. De kans om het te krijgen is het grootst bij baby's jonger dan één jaar, omdat hun afweer nog in ontwikkeling is. Zowel één als beide longen kunnen ontstoken zijn: wanneer beide longen ontstoken zijn, spreek je van een dubbele longontsteking.

 

Wat is de oorzaak? 

Meestal een virus of bacterie. Een gewone griep of verkoudheid, bijvoorbeeld. Tegenwoordig worden kinderen op het consultatiebureau ingeënt voor de pneumokokken bacterie. Hierdoor is de kans op een longontsteking door deze bacterie veel kleiner geworden. Wel heeft je kind meer kans op een longontsteking als hij een afweerstoornis, cystic fibrosis, PCD, een ontwikkelingsachterstand of last van spierzwakte heeft.

Oh, en dat je ziek kunt worden van kou is trouwens een fabel: virussen en bacteriën zijn altijd actief, of het nu warm of koud is, maar in de wintermaanden zitten we veel meer binnen (met ramen gesloten) en dichter op elkaar. De kans dat virussen aan elkaar worden overdragen, is daardoor groter.

 

Lees ook
VIDEO: dit is het verschil tussen griep en verkoudheid >

 

Wat zijn de symptomen? 

Eigenlijk krijgen kinderen vergelijkbare klachten als bij griep, maar dan een tikkie heftiger. Een paar voorbeelden: benauwd, kortademig, ophoesten van slijm (soms met wat bloed), moe, rillen en koorts.

 

Hoe behandel je een longontsteking?

Vermoed je dat je kind een longontsteking heeft, neem dan contact op met de huisarts. In de meeste gevallen schrijft hij of zij dan een antibioticakuur voor. Althans, als de oorzaak een bacteriële infectie is. Aan een virale infectie kan de huisarts weinig doen en dan is het een kwestie van uitzieken. Bij koorts of pijn mag je doorgaans gerust een pijnstiller geven.

Zijn de klachten na drie dagen antibiotica nog niet minder of wordt je kind steeds zieker? Bel dan de huisarts nog een keer. Bij een ernstige longontsteking wordt een kind opgenomen in het ziekenhuis. Daar krijgt-ie een hogere dosis antibiotica toegediend via pillen of een infuus.

 

Wat kun je zelf doen?

De kuur afmaken, je kind goed laten uitrusten én veel laten drinken: voor baby's tot zes maanden geldt ongeveer 150 ml per kilo lichaamsgewicht per dag, borstvoeding kan op verzoek. Baby's van zes maanden en ouder hebben per dag ongeveer 100 ml nodig per kilo lichaamsgewicht. Kinderen vanaf één jaar zes tot zeven bekertjes per dag van ongeveer 75 ml. Gaat drinken moeizaam? Probeer eens thee zonder suiker, diksap of dunne pap - dan krijgen ze toch het nodige vocht binnen.

 

Bron: Longfonds

 

Nog meer Kek Mama?
Volg ons op Facebook en Instagram. Of schrijf je hier in voor de Kek Mama nieuwsbrief >