Carien heeft een heerlijke dochter en ogenschijnlijk een prima leven, maar drinkt veel te veel. “Elke avond lig ik laveloos op de bank.”

“Je kunt heel goed alcoholist zijn zonder dat je in de goot ligt. Er is niets aan me te zien. Ik drink anderhalve fles per dag, in het weekend drie. Dat is net niet genoeg om een rode neus, couperose en bloeddoorlopen ogen te krijgen. Ik verzorg mezelf goed, kleed me leuk, heb een goede baan als jurist. Ik ben die aardige vrouw die vaak op het schoolplein staat. Mijn huis is gezellig en schoon. Moeders vertrouwen me zorgeloos hun kind toe voor een speelafspraak. Maar als ze hun dochter ophalen, heb ik mijn tanden gepoetst, een Fisherman’s Friend in mijn mond en blijf ik op een afstandje vanwege de kater. Aan huggen doe ik niet. Het fijne van alcohol is dat het me helpt te ontsnappen aan de werkelijkheid. Dat gevoel is zo belangrijk, dat ik in paniek raak als ik geen wijn in huis heb. Ik ga desnoods kruipend naar de supermarkt. Voor de show koop ik meteen wat gezonde dingen als brood, sinaasappels, sla. Ik heb een fles wijn in mijn handtas, maar op mijn werk drink ik niet. Zelfs niet stiekem op de wc. Als ik mijn baan zou kwijtraken, belandde ik echt aan de onderkant van de samenleving.”

 

Te jong

“Mijn dochtertje Anoek van zes weet dat ik van wijn hou, niet dat ik een probleem heb. Ik snij dat onderwerp niet aan, daar vind ik haar nog te jong voor. Ze heeft me nooit meegemaakt als ik echt beneveld ben, dat gebeurt pas als ze in bed ligt. Als er ’s avonds iets met haar zou gebeuren, zou ik in mijn beschonken staat niet alert kunnen reageren. Daar durf ik niet eens aan te denken. Als ik heb gedronken, kan ik niets meer. Ik ga door tot ik laveloos op de bank lig. Daarom maak ik ’s avonds nooit afspraken. Als ik een avondvergadering van mijn werk heb waar ik niet omheen kan, zie ik daar weken tegenop. Dan moet ik de tijd doorkomen zonder wijn. Anoek weet dat ik dit interview geef, maar ze weet niet waarover. Als ze iets vraagt, zeg ik dat het ging over mijn gezondheid. Ik heb zenuwpijnen vanuit mijn bekken. Die komen mede door de drank, want alcohol beschadigt je zenuwstelsel. Je hebt er even wat minder last van als je drinkt, omdat je de pijn tijdelijk verdooft.”

 

Schuldgevoel

Ik heb geprobeerd te stoppen. De vorige keer lukte het vijf maanden met hulp van therapie. En toen nam ik een paar glazen en ging ik weer voor de bijl. Sinds drie weken ben ik opnieuw gestopt. Het is de bedoeling dat ik het deze keer volhoud, maar het is broos. Af en toe zinkt de moed me in de schoenen. Maar ik moet, ik moet, ik moet. Voor Anoek. Ik voel me zo schuldig als ik aan haar denk. Schuldgevoel is een rode draad in mijn leven. Het is de hoofdreden dat ik ben gaan drinken. Nu hoop ik dat het de motor is die me doet stoppen.

 

'Biertjes waren het medicijn tegen onzekerheid'

Mijn eerste biertje dronk ik op mijn zeventiende met mijn schoolvriendinnen. Ik vond het niet lekker, maar werd er wel ontspannen van. Mijn verlegenheid viel weg. Daarom nam ik er nog een. Toen durfde ik opeens een leuke jongen te benaderen, op wie ik al een jaar stiekem verliefd was. Hij bleek mij ook leuk te vinden, dus we kregen een relatie. Ik was de biertjes dankbaar; had het gevoel dat ik een medicijn had ontdekt tegen mijn onzekerheid en de schuldgevoelens die daaraan ten grondslag liggen. Die schuldgevoelens heb ik al zolang ik me kan herinneren. Het was niet de bedoeling dat ik er kwam, mijn moeder is per ongeluk zwanger van me geworden bij een vluchtige verliefdheid. Héél vluchtig: ik heb mijn vader maar een paar keer gezien. Het klikte niet zo. Door mijn komst heeft mijn moeder haar carrière als danseres moeten afbreken. Ze liet me geregeld merken hoe erg ze dat vond. Ik wist niet hoe snel ik het huis uit moest om te gaan studeren in de grote stad. Ook al vond ik het eng dat ik daar niemand kende.

 

Studententijd

Dat ik evengoed snel vrienden kreeg, dank ik voor een deel aan drank. Als ik bij het uitgaan een slok op had bleef ik niet meer in een hoekje zitten, maar stapte op iedereen af. Zo leerde ik leuke mensen kennen. Ik werd opgenomen in een hechte groep van een man of tien. Ze gaven me de warmte die ik altijd had gemist. Elke dag kwamen we samen in ons stamcafé. Volgens de heersende normen waren we allemaal alcoholist, op de manier waarop alle studenten alcoholist zijn: je bent het als je elke dag drinkt, bij elkaar meer dan vijftien glazen per week. Het werd acceptabel gevonden, niet zorgwekkend. Mijn studie rechten leed er ook niet onder, ik ben altijd vlijtig geweest, haalde al mijn tentamens. Ik ging zo min mogelijk naar huis. Het was ongemakkelijk en naar om bij mijn moeder te zijn. Dat is het nog steeds. Daar is ze boos om, ze vindt me ondankbaar. Eerst was ze verbitterd omdat ik er was, nu dat ik er niet vaak genoeg ben. Ik bel haar af en toe, maar alleen als ik wijn op heb. Daarom heb ik haar de afgelopen drie weken niet gesproken.

 

'Ik mocht eindelijk weer drinken'

Na mijn afstuderen ging ik aan de slag als jurist. Ik ontmoette Julius: een slungelige wiskundeleraar met een bril. Mijn vriendinnen begrepen niet wat ik in hem zag, maar ik voelde me geborgen bij hem. Fysiek was er weinig aantrekkingskracht, maar dat maakte me niet uit. We trouwden en kregen na lang wachten Anoek. Nadat ik was bevallen, had ik het gevoel dat ik twee marathons had gelopen. Ik was zo blij dat ik eindelijk weer mocht drinken. De champagne slurpte ik met grote teugen naar binnen. Het was het lekkerste wat ik ooit heb gedronken – en dat zegt iets.

 

Minstens een fles per persoon

Anoek was een huilbaby. Minstens tien uur per dag, hartverscheurend. Ik kon haar niet troosten en daar was het schuldgevoel weer. Ik had haar op de wereld gezet en dat vond ze blijkbaar niet leuk. Die periode was voor mij de kentering naar probleemdrinken. Ik sliep niet meer dan een paar uur per nacht, en als ik wakker was en haar hoorde huilen kon ik maar één ding bedenken dat me rustig kon maken: wijn. Ik kwam in de ziektewet wegens een postnatale depressie. Toen vormde mijn werk geen belemmering meer, en kon ik ook overdag drinken. Toch probeerde ik dat moment uit te stellen tot half vijf, als Julius thuiskwam. Ook voor hem werden gehuil en wijn een vaste combinatie. Als hij Anoek hoorde, trok hij uit frustratie een fles open. Samen dronken we tot het avondeten minstens een fles per persoon. Julius kon er goed tegen, mannen kunnen twee keer zoveel alcohol aan als vrouwen. Terwijl ik uitgeput op de bank lag, was Julius met Anoek bezig. Leuk was het niet. We hadden het mooiste gekregen dat ons kon overkomen, maar raakten er vooral uitgeput van. Tussen ons gebeurde er weinig meer. Van vrijen kwam het niet, we waren blij met elke minuut slaap.

 

Complete black-outs

Na een jaar hield Anoek van de ene op de andere dag op met huilen. Een magisch moment. Ze keek ons tevreden lachend aan. Het duurde weken voor we durfden te geloven dat het blijvend was. Ik was uitgelaten, wilde feesten om het te vieren. Julius bleef liever bij Anoek, hij houdt niet van uitgaan, maar liet mij de stad in gaan met mijn vriendinnen. Daar ging ik los. Alsof ik weer student was. Maar ik dronk nu zo veel dat ik soms starnakel van mijn fiets viel. Ik kreeg complete black-outs, zonder waarschuwing. Ik werd niet draaierig of duizelig, het ene moment stond ik gewoon te praten, het andere lag ik op de grond. Mijn vriendinnen schrokken zich elke keer kapot.

 

Gescheiden

De drank had nog een gevolg: op een avond durfde ik een leuke man aan te spreken. We kregen een relatie. Met Kylian heb ik wat ik met Julius nooit heb gehad. Het is heerlijk om met hem te vrijen. De verhouding heeft mijn huwelijk genekt. Een jaar geleden zijn Julius en ik gescheiden. Gelukkig hebben we nog een goede band, hij woont op loopafstand, is co-ouder van Anoek. Maar hij is er kapot van, dus ik voel me erg schuldig. En dat bestrijd ik, zoals altijd, met wijn.

 

'Het leven is goed met drank en loodzwaar zonder'

Kylian en ik hebben een weekendrelatie, hij woont een uur treinen verderop. Zaterdag rond lunchtijd vertrek ik. Dan koop ik – nee, kocht ik – op het station een grote fles wijn, haalde een kartonnen bekertje bij de koffieautomaat, en dronk in de trein de hele fles leeg. Als ik aankwam, gooide ik hem weg. Kylian merkte het aan mijn gedrag. Als ik drink vind ik iedereen leuk. Belangrijker nog: dan vind ik ook mezelf leuk. Kylian denkt daar anders over, hij vindt me dan drammerig, harder, feller, we krijgen ruzie. Hij is zo blij dat ik ben gestopt. Hij steunt me op alle fronten, drinkt nog geen biertje in mijn aanwezigheid. Dat helpt, maar niet genoeg. Het leven is goed met drank en loodzwaar zonder. Dat blijft. Ik zie als een berg op tegen de vakantie. Vakantie is ontspanning, en dat hangt voor mij samen met wijn. Op vakantie drink ik vanaf één uur ’s middags. Daarom ga ik graag naar Frankrijk. Daar kun je bij de lunch wijn bestellen zonder dat iemand je vreemd aankijkt. Misschien kan ik Anoek dit jaar beter meenemen naar Noorwegen.

 

Drinken is verleden tijd

Ik klem elke dag mijn kiezen op elkaar om maar niet te drinken. Ik wil in de verleden tijd blijven praten over mijn probleem. Als afgekickte alcoholist mag je nooit meer drinken. Die gedachte kan ik nauwelijks aan. Ik streef ernaar uiteindelijk in het weekend af en toe een glaasje te nemen. Maar het duiveltje in me zegt: dat zei je de vorige keer ook.”

Dit artikel staat in Kek Mama 02-2016

In samenwerking met Kek Mama