Toen haar kinderen zelf hun schoenen aan konden trekken, dacht Hester dat de zwaarste tijd achter de rug was. En toen stortte haar oudste zoon zich in de puberteit.

Je hoort het je oma zeggen: “Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen.” Met zo’n alwetende blik erbij, zo van: been there, done that. Maar als je midden in de luiers zit, je feestjurk net is ondergekotst, het ene virus het andere in een estafetterace afwisselt en je je ogen door slaapgebrek alleen met luciferstokjes open kunt houden, geloof je gewoon niet dat het erger kan.
Grote kinderen trekken zelf hun schoenen aan, stappen op hun eigen fiets, slapen hele nachten door en het allerfijnste: ze zijn dag en nacht zindelijk.
Daarom snak je op de bodem van de put van babyblues en peuterpaniek naar pubers. Dan klinkt het woord ‘tiener’ bijna magisch en kun je de tijd wel vooruit kijken. Nou, en daar komt-ie, uit mijn toetsenbord: wacht maar tot ze naar de middelbare gaan. Bijna vijftien, elf en twee zijn ze, mijn drie kinderen. Wouter, Floortje en Belle. Een puber, een prepuber en een peuterpuber. Vergeleken met de echte puberteit is die peuterpuberteit een voorgerechtje. Nee, beter: een amuse, zo’n koddig gerechtje op een gekruld lepeltje. Het is ook eten, maar het haalt het niet bij de hoofdmaaltijd.

Heldenstatus

Ik hoor de moeders om mij heen klagen – want klagen over je kind mag, het moet uit de taboesfeer en het is zelfs een beetje hip. Toegeven dat je de klok soms manipuleert om jouw avond een uurtje eerder te laten beginnen, geeft je in moederland een heldenstatus. Jij bent er ook nog! Hulde! Toen ik vorig jaar hardop toegaf dat ik mijn huilbaby op de grond wilde gooien, werd er nog net niet geapplaudisseerd. Gooi het er maar uit, die frustratie. Nee, dat hele moedergebeuren is echt niet alleen maar een roze wolk. Kinderen schreeuwen, maken rotzooi, zijn vermoeiend en willen altijd net iets anders dan jij in gedachten had. En dat moet je gewoon kunnen zeggen, als je er maar achteraan roept dat je écht heel veel van ze houdt.

Klein huishoudelijk leed

Ik heb in het begin van mijn moedercarrière ook hartstikke veel geklaagd. Die gebroken nachten; afschuwelijk. Of dat we net in een lekker eetpatroon zaten, onze kleine man alles vrolijk opat, en zich opeens de lust-ik-niet-periode aandiende. En dat dan nét dat ene stukje kleding dat je niet had bedekt met een megaslabber vol in de kom tomatensoep werd gehangen. Ik weet nog goed dat we op vakantie waren in Bretagne, Wout was vier, Floortje een jaar. Wouter was op die leeftijd zo verschrikkelijk vervelend dat mijn ex en ik die vakantie nog steeds omschrijven als ‘onze ergste trip ooit’. Vooral het nachtelijk wakkerkrijsen van de stacaravan en de complete camping staat ons nog vers in het geheugen. Onze zoon had helemaal geen zin in vakantie. Hij miste zijn huis, zijn speelgoed, zijn ritme en regelmaat. Wij vonden hem een ondankbaar mannetje. Als ik er nu aan terugdenk, dan categoriseer ik het onder de noemer ‘klein huishoudelijk leed.’

Lees het hele verhaal in Kek Mama 02-2016. Bestel hier online.