Ik wist het zeker toen ik zwanger was van de tweede. Mijn oudste was een jongen, helemaal fantastisch, maar nu had ik een meisje in mijn buik. Een echte dochter die ik in de snoezigste jurkjes kon steken, petticoatjes, strikken in het haar, kortom, ik zou me helemaal kunnen uitleven. 

“Zo hé! Dat is een grote piemel.” Met die woorden sloeg de echoscopiste mijn meisjesdroom aan diggelen. Niks strikken. Weer een vent. Nu Róman er is, kan ik me niet meer voorstellen dat ik een dochter zou hebben. Maar soms mis ik het tutten wel.

Toen de kinderen klein waren, kon ik me nog uitleven. Ik kleedde ze in de allerschattigste spijkerbroekjes met bretels en zette ze brutale Ciske de Rat-petjes op het hoofd. Geweldig zagen ze er uit, helemaal afgestyled. Maar tegenwoordig willen ze alleen nog kleding aan waar welbekende speelgoedfiguren op staan (Cars, Pokémon, Planes en die malle Mignons
die in mijn ogen lijken op enorme gele zetpillen, maar dat zal de bedoeling niet wezen).

De doddige ensembletjes die ik soms in etalages van kinderwinkels zie, mijn kroost moet er niets van hebben. Als ik wil voorkomen dat mijn oudste de hele dag met een platgeslagen zwabber op zijn hoofd rondloopt, rent hij krijsend van me weg. “Ik wil geen dzjel!!!”

Lees de hele column van Roos in Kek Mama 09-2015. Online bestellen doe je hier.

In samenwerking met Kek Mama